Definiëring, natuurlijk beloop en epidemiologie

DEFINIËRING, NATUURLIJK BELOOP EN EPIDEMIOLOGIE

 

Inleiding

Rhinosinusitis is een belangrijk en toenemend gezondheidszorg probleem dat eenzelfde toename lijkt door te maken als allergische rhinitis. De data met betrekking tot het natuurlijk beloop en epidemiologie van rhinosinusitis zijn beperkt. Recent is een Europees Positie Document verschenen dat duidelijke definities geeft met betrekking tot de aandoening en een overzicht van de bekende (evidence based) literatuur (EPOS, Fokkens, 2007).

 

Definitie rhinosinusitis en neuspoliepen

 

Klinische definitie (EPOS, Fokkens, 2007)

 

Rhinosinusitis (inclusief neuspoliepen) is gedefinieerd als:

  • een ontsteking van de neus en de neusbijholten gekarakteriseerd door twee of meer symptomen, waarvan tenminste één of neusverstopping of rhinorroe (anterieur of post nasal drip) is:

-         ± pijn of druk in het aangezicht (waar geen haar groeit),

-         ± verminderde of afwezige reuk;

en/of

  • endoscopische tekenen van:

-         poliepen en/of;

-         mucopurulente uitvloed voornamelijk uit de middelste neusgang en/of oedeem/slijmvlieszwelling voornamelijk in de middelste neusgang

en/of

  • CT afwijkingen:

-         sluiering van het osteomeatale complex en/of de sinus

 

Ernst van de aandoening 

De aandoening kan worden verdeeld in MILD, MATIG en ERNSTIG gebaseerd op een visual analogue scale (VAS) score (0‑10 cm) m.b.t. de totale ernst:

  • MILD                            =   VAS 0-3
  • MATIG                          =   VAS >3-7
  • ERNSTIG                      =   VAS >7-10

 

Om de ernst te bepalen, wordt aan de patiënt gevraagd om de VAS score in te vullen n.a.v. de vraag: Hoe ernstig zijn uw klachten van rhinosinusitis? 

 

Een VAS > 5 heeft een significante invloed op de kwaliteit van leven van de patiënt (14).

 

 

Duur van de aandoening 

Acuut

< 12 weken klachten

volledig herstel

 

Chronisch

>12 weken klachten

geen volledig herstel

 

Een acute exacerbatie tijdens CRS wordt geduid als onderdeel van CRS.

 

Epidemiologie

Rhinosinusitis is een van de meest voorkomende aandoeningen die artsen tegenkomen. Een groot aantal artsen zowel in de eerste lijn zoals huisartsen en SEHartsen, als in de tweede lijn zoals KNO artsen, allergologen, kinderartsen en longartsen en zelfs neurochirurgen, oogartsen en intensivisten bij complicaties, komt (meer of minder) frequent met dit ziektebeeld in aanraking.

 

De incidentie van acute virale rhinosinusitis (verkoudheid) is erg hoog. Volwassenen maken 2-5 acute virale rhinosinusitiden per jaar door, kinderen zelfs 7-10. Een acute, niet virale rhinosinusitis wordt gedefinieerd als een toename van klachten na 5 dagen of een persisteren na 10 dagen na het acute begin van rhinosinusitisklachten zoals boven beschreven. Naar schatting resulteert 0,5 tot 2% van de verkoudheden in een acute niet-virale rhinosinusitis. Slechts bij een deel van deze patiënten spelen bacteriën een oorzakelijke rol. Vaak is er sprake van post-virale ontsteking.

 

De hoge incidentie en significante morbiditeit van CRS, met of zonder neuspoliepen, ten spijt, zijn er maar zeer beperkte data over de epidemiologie van deze aandoening voorhanden. Amerikaanse gegevens noemen 15,5% van de bevolking. Echter CRS zonder neuspoliepen gediagnosticeerd door een arts komt waarschijnlijk in de buurt van enkele procenten (Shashy, 2004). In Nederland zijn geen goede data over de incidentie/prevalentie van CRS bekend. Op dit moment wordt een Europees onderzoek uitgevoerd om deze gegevens te verkrijgen.

 

Voor de prevalentie van CRS met neuspoliepen (CRS/NP+) is het van belang na te gaan of het symptomatische of asymptomatische neuspoliepen betreft. Bovendien is van belang of gebruik is gemaakt van nasendoscopie. In een Europese populatie worden prevalenties van symptomatische CRS/NP+ van 2-3 % genoemd (Johansson, 2003; Klossek, 2005). CRS/NP+ komt bij alle rassen voor, de prevalentie is hoger bij ouderen en patiënten met astma. De aanwezigheid van neuspoliepen bij kinderen is zeldzaam en behoeft altijd diagnostiek naar een onderliggend lijden zoals cystic fibrosis (Fokkens 2007).

 

In de studies is niet altijd aangegeven of de patiëntenpopulatie bestaat uit patiënten met CRS met neuspoliepen (CRS/NP+) of zonder neuspoliepen (CRS/NP-) of allebei (CRS/NP). In deze richtlijn wordt de term CRS (CRS) gehanteerd als niet bekend is of de populatie of een deel hiervan neuspoliepen heeft. 

 

Literatuur

-           Fokkens W, Lund V, et al. European position paper on rhinosinusitis and nasal polyps. Rhinology 2007; Suppl. 20:1-137.

-           Johansson L, Akerlund A, Holmberg K, Melen I, Bende M. Prevalence of nasal polyps in adults: the Skovde population-based study. Ann Otol Rhinol Laryngol. 2003;112(7):625-9.

-           Klossek JM, Neukirch F, Pribil C, Jankowski R, Serrano E, Chanal I, et al. Prevalence of nasal polyposis in France: A cross-sectional, case-control study. Allergy. 2005;60(2):233-7.

-           Shashy RG, Moore EJ, Weaver A. Prevalence of the chronic sinusitis diagnosis in Olmsted County, Minnesota. Arch Otolaryngol Head Neck Surg. 2004;130(3):320-3.