Implementatietabel

Aanbeveling – 1




Aanbeveling – 2

 

 


Aanbeveling – 3

Maak regionale afspraken tussen longartsen en huisartsen voor verwijzing en terugverwijzing. Organiseer binnen dit netwerk scholing over chronische hoest.

 

Richt een multidisciplinair netwerk in waarbinnen de zorg voor de patiënt met chronische hoest in wordt gewaarborgd. Dit netwerk moet minimaal bestaan uit een longarts, een KNO-arts, een hoestlogopedist en een MDL-arts. Andere disciplines kunnen op afroep beschikbaar zijn. Start binnen dit netwerk een periodiek multidisciplinair overleg.

Geef middels scholing en stages bekendheid aan het bestaan van chronische hoest en de behandeling daarvan.

  1. Wat was het onderliggende probleem om deze uitgangsvraag uit te werken?

 

□ Ongewenste praktijkvariatie

Toelichting: Voorheen was er nog veel onbekendheid over en rondom chronische hoest en bestond er nog geen geprotocolleerde aanpak hoe met chronische hoest om te gaan (zowel op het niveau van behandeling als op organisatorisch niveau).

  1. Maak een inschatting over hoeveel patiënten het ongeveer gaat waar de aanbeveling betrekking op heeft?

> 40.000

Toelichting: Ongeveer 2 % van Nederland heeft last van chronische hoest waarvan mogelijk 30-40% binnen de OCH/RCH groep

 

  1. Maakt de aanbeveling deel uit van een set van interventies voor hetzelfde probleem?

 

□ Ja: hoe verhoudt deze aanbeveling zich tot de andere aanbevelingen uit deze module/ richtlijn of uit andere richtlijnen(modules)? Dient hier rekening mee gehouden te worden bij de implementatie of kan dit worden gezien als een losstaande aanbeveling?

Toelichting: De behandel en diagnostiek modulen die eerder zijn aangehaald in de richtlijn moeten vertaald worden naar praktijk. Daarbij is samenwerking tussen de verschillende disciplines en een duidelijke aanpak/inrichting van het zorgpad belangrijk.

  1. Belemmeringen en kansen op verschillende niveaus voor landelijke toepassing van de aanbeveling:

Voorbeelden

Wat zijn mogelijke belemmerende factoren?

Wat zijn mogelijke bevorderende factoren?

    1. Richtlijn/ klinisch traject (innovatie)

Voortschrijding/vooruitgang in de praktijk, haalbaarheid, geloofwaardigheid, toegankelijkheid, aantrekkelijkheid

Gebrek aan wetenschappelijke evidentie

Heldere en praktische aanbevelingen die de de zorgverlener ondersteunen bij samen beslissen in de spreekkamer

    1. Zorgverleners (artsen en verpleegkundigen)

Bewustzijn, kennis, houding, motivatie om te veranderen, gedragsroutines

Beschikbaarheid van specialisten met chronische hoest als expertise als ook de beschikbaarheid van hoestlogopedisten

Scholing en expertise bij longartsen en logopedisten op het gebied van chronische hoest. Inrichten van een digitale leer omgeving kan hierbij ondersteunen.

Kennis hebben van landelijke hoeststages (nascholing, bijscholing).

    1. Patiënt/ cliënt (naasten)

Kennis, vaardigheden, houding, compliance

 

Bredere bekendheid over wat chronische hoest is/inhoudt.

Informatie beschikbaar maken over een eventuele hoestpoli of ‘hoestraatje’ en wat de patiënt hierbij kan verwachten.

    1. Sociale context

Mening van collega’s, cultuur van het netwerk, samenwerking, leiderschap

 

Een hoestpoli of hoeststraatje zal geleid worden door een longarts. Binnen dit concept kan laagdrempelig overleg met of verwezen worden naar: een hoestlogopedist, KNO-arts en MDL-arts. Deze samenwerking is tussen de partijen geformaliseerd waarbij de longarts een leidende rol speelt.

    1. Organisatorische context

Organisatie van zorgprocessen, personeel, capaciteiten, middelen, structuren

Niet voldoende personeel beschikbaar.


Opleidingen zullen binnen het bestaande curriculum plaats moeten maken voor het onderwerp chronische hoest.

De zorgprocessen zijn nog niet op ingesteld op een dergelijk vast netwerk of frequente MDO’s. Er zal tijd vrijgemaakt moeten worden voor de inrichting hiervan.

Ook de samenwerking tussen eerste en tweede lijn zal ondersteund moeten worden. Kennis bij de eerstelijns zorgverleners over chronische hoest is daarbij van belang en zal gestimuleerd moeten worden door de longartsen.

Makkelijker data sharing tussen verschillende partijen helpt ook.

    1. Economische en politieke context

Financiële regelingen, regelgeving, beleid (vergoede zorg, betaaltitel)

 

Invoering van de ICD-10 code voor chronische hoest (R05.3) ook in Nederland Dit zal leiden tot meer bekendheid, een beter inzicht in epidemiologie en een beter zorgproduct (DBC). Dit is inmiddels in gang gezet bij het Zorginstituut.

  1. Welke personen/partijen zijn van belang bij het toepassen van de aanbeveling in de praktijk?

 

Patiënt/ cliënt (naaste)

Professional

Beroepsvereniging

Zorgverzekeraars/ NZa
Ziekenhuizen

  1. Wat zouden deze personen/ partijen moeten veranderen in hun gedrag of organisatie om de aanbeveling toe te passen?

 

Het is van belang dat de primair betrokken zorgverleners (longarts, hoestlogopedist, MDL-arts en KNO-arts) laagdrempelig met elkaar in contact kunnen treden. Patiënten die het hoesttraject doorlopen, dienen zo nodig standaard in het MDO besproken te worden, waarbij de longarts de coördinerende rol vervult. Ook kan de longarts ondersteunen bij kennisverbreding over chronische hoest bij de eerste lijn.

  1. Binnen welk tijdsbestek moet de aanbeveling zijn geïmplementeerd? 

> 2 jaar

Implementatie vergt allereerst basiskennis van artsen en huisartsen. Voor sommigen samenwerkingsverbanden ligt er al een basis (zoals het stemplatform), maar het hoest straatje dient een formele vorm te krijgen binnen het zorgpad.

  1. Conclusie: is er extra aandacht nodig voor implementatie van de aanbeveling (anders dan publicatie van deze richtlijnmodule)?

Ja

Toelichting: er is een implementatiepuls nodig vanwege de prevalentie, de relatieve onbekendheid, de samenwerking die vereist is, en de ontwikkelingen met nieuwe medicatie

*Deze aanbeveling komt in aanmerking voor plaatsing op de Implementatie Agenda van het programma Zorg Evaluatie & Gepast Gebruik (ZE&GG). In het programma ZE&GG werken patiënten, zorgverleners, zorgaanbieders, zorgverzekeraars en overheid samen aan de bewezen beste zorg voor de patiënt. Daarmee is ZE&GG een programma van alle betrokken partijen in de Medisch Specialistische Zorg. FMS is één van deze betrokken partijen.

 

De implementatieagenda van ZE&GG bevat onderwerpen over wat de bewezen beste zorg is en die in de dagelijkse zorgpraktijk geïmplementeerd zouden moeten worden.  Zorgverzekeraars Nederland (ZN) en de Nederlandse Vereniging voor Ziekenhuizen (NVZ) hebben landelijke afspraken gemaakt over de implementatie van de onderwerpen van de implementatieagenda. Deze afspraken zijn onderdeel van de zorginkoopafspraken tussen zorgverzekeraars en zorgaanbieders.

 

Vanuit FMS worden sterke, goed onderbouwde aanbevelingen, getoetst op de behoefte aan een implementatie impuls aangedragen. Voor de beoordeling van onderwerpen uit richtlijnen wordt gekeken naar bovenstaande tabel voor een inschatting van de implementatie impuls. Met de ingevulde implementatietabel kunnen we vanuit FMS de andere HLA-MSZ partijen goed informeren om zo samen te beslissen of de aanbeveling daadwerkelijk op de implementatie agenda zal worden geplaatst.