Implementatieplan

Tabel A: (De-)Implementatietabel met impuls analyse

Aanbeveling – 1

 

      1. Wat was het onderliggende probleem om deze uitgangsvraag uit te werken?

 

□ Ongewenste praktijkvariatie

□ Nieuwe evidentie

Anders

 

Toelichting:

Tot nu toe ontbreekt een algemeen geaccepteerde gouden standaard voor het diagnosticeren van ondervoeding. In 2019 bracht het internationale GLIM-consortium (Global Leadership Initiative on Malnutrition) voor het eerst een wereldwijd gedragen set operationele dagnostische criteria uit. Het is nog onduidelijk of deze criteria ook valide en toepasbaar zijn voor patiënten met hoofd-halskanker. Binnen deze module is aandacht voor de bruikbaarheid en interpretatie van de GLIM-criteria specifiek voor deze doelgroep die vaak te maken heeft met complexe voeding- en inflammatiegerelateerde problemen.

      1. Maak een inschatting over hoeveel patiënten het ongeveer gaat waar de aanbeveling betrekking op heeft?

□ < 1000

< 5000

5000-40.000

> 40.000

      1. Maakt de aanbeveling deel uit van een set van interventies voor hetzelfde probleem?

 

Ja: hoe verhoudt deze aanbeveling zich tot de andere aanbevelingen uit deze module/ richtlijn of uit andere richtlijnen(modules)? Dient hier rekening mee gehouden te worden bij de implementatie of kan dit worden gezien als een losstaande aanbeveling?

 

Toelichting: In deze module wordt ook verwezen naar module 1 uit deze richtlijn.

 

□ Nee

      1. Belemmeringen en kansen op verschillende niveaus voor landelijke toepassing van de aanbeveling:

Voorbeelden

Wat zijn mogelijke belemmerende factoren?

Wat zijn mogelijke bevorderende factoren?

      1. Richtlijn/ klinisch traject (innovatie)

Voortschrijding/vooruitgang in de praktijk, haalbaarheid, geloofwaardigheid, toegankelijkheid, aantrekkelijkheid

 

De praktische uitvoerbaarheid van GLIM wordt gezien als een voordeel, waardoor implementatie laagdrempeliger is.

De sterke evidence base voor de GLIM-criteria stimuleert vertrouwen en acceptatie onder zorgprofessionals.

      1. Zorgverleners (artsen en verpleegkundigen)

Bewustzijn, kennis, houding, motivatie om te veranderen, gedragsroutines

Zorgprofessionals werken al met andere voedingsscreenings- of diagnosetools, wat de overstap naar GLIM belemmert.

Al 40% van de Nederlandse diëtisten gebruikt of is bezig met implementatie, wat een momentum creëert.

Het gebruik van landelijke, openbaar toegankelijke protocollen en standard operating procedures (richtlijnen voor gestandaardiseerde metingen) voor het bepalen van de spiermassa kan implementatie ondersteunen.

      1. Patiënt/ cliënt (naasten)

Kennis, vaardigheden, houding, compliance

 

 

      1. Sociale context

Mening van collega’s, cultuur van het netwerk, samenwerking, leiderschap

 

Universitaire ziekenhuizen kunnen fungeren als koplopers en voorbeeldinstellingen.

      1. Organisatorische context

Organisatie van zorgprocessen, personeel, capaciteiten, middelen, structuren

 

 

      1. Economische en politieke context

Financiële regelingen, regelgeving, beleid (vergoede zorg, betaaltitel)

 

 

      1. Welke personen/partijen zijn van belang bij het toepassen van de aanbeveling in de praktijk?

 

Patiënt/ cliënt (naaste)

Professional

Beroepsvereniging

Ziekenhuis(bestuurder)

□ Zorgverzekeraars/ NZa

□ Zorginstituut [duiding nodig]

…………………………………… (graag aanvullen met alle relevante partijen, e.g., industrie)

      1. Wat zouden deze personen/ partijen moeten veranderen in hun gedrag of organisatie om de aanbeveling toe te passen?

 

1. Zorgprofessionals (zoals diëtisten, verpleegkundigen, artsen):

    • Zich verdiepen in de GLIM-criteria en bijbehorende meetmethoden, met name het gebruik van fenotypische en etiologische criteria.
    • Bereidheid tonen om over te stappen van bestaande meetinstrumenten naar het GLIM-framework indien dit beter aansluit bij actuele richtlijnen.
    • Participeren in bij- en nascholing over de toepassing van GLIM.
    • Samenwerken in multidisciplinaire teams voor een geïntegreerde voedingsdiagnostiek.

 

2. Zorginstellingen (ziekenhuizen, zorgorganisaties):

    • GLIM opnemen in de kwaliteitsdoelstellingen en zorgprotocollen.
    • GLIM implementatie als prioriteit stellen in de organisatie.
    • Structuren inrichten voor training, ondersteuning en monitoring van implementatie.
    • Zorgen voor toegang tot benodigde middelen, zoals apparatuur voor spiermassameting.

 

3. Beleidsmakers en beroepsverenigingen:

    • GLIM promoten als de standaard voor diagnostiek van ondervoeding.
    • Landelijke richtlijnen en standaardprotocollen ontwikkelen en/of actualiseren voor de toepassing van GLIM.
    • Financiële en logistieke ondersteuning bieden voor implementatie, inclusief scholing.

 

4. Onderzoeksgemeenschap:

    • Onderzoeken of GLIM ook valide en toepasbaar is voor specifieke patiëntengroepen zoals hoofd-halskanker.
    • Onderzoeksresultaten actief delen met het werkveld om implementatie te ondersteunen met evidence.
      1. Binnen welk tijdsbestek moet de aanbeveling zijn geïmplementeerd?

< 1 jaar

< 2 jaar

□ < 3 jaar

 

[toelichting]

      1. Conclusie: is er extra aandacht nodig voor implementatie van de aanbeveling (anders dan publicatie van deze richtlijnmodule)?

□ Ja* Nee

 

Toelichting:

De GLIM criteria worden nog onvoldoende worden toegepast in de klinische praktijk, hoewel elke diëtist bekend is met de GLIM criteria en zij ook in de Nederlandse setting algemeen geaccepteerd zijn als de consensus criteria voor het eenduidig stellen van de diagnose ondervoeding en evalueren van het effect van dieetbehandeling. Mogelijk oorzaken van het nog niet toepassen van de GLIM criteria zijn; de bezorgdheid dat dit extra consulttijd vergt evenals logistieke beperkingen zoals het gebrek aan een geschikte ruimte of apparatuur voor metingen en het ontbreken van integratie in het elektronisch patiëntendossier.

 

De werkgroep beveelt aan om, naast de screening op ondervoeding, de diagnostiek van ondervoeding (bij hen die een hoog risico op ondervoeding hebben) door middel van de GLIM criteria op te nemen als paramedische kwaliteitsindicator in de kwaliteitsregistratie DICA hoofd-halsoncologie (DHNA). Dit bevorderd kwaliteit van zorg door tijdige en eenduidige diagnostiek van ondervoeding en vroegtijdige dieetbehandeling.

         

*Deze aanbeveling komt in aanmerking voor plaatsing op de Implementatie Agenda van het programma Zorg Evaluatie & Gepast Gebruik (ZE&GG). In het programma ZE&GG werken patiënten, zorgverleners, zorgaanbieders, zorgverzekeraars en overheid samen aan de bewezen beste zorg voor de patiënt. Daarmee is ZE&GG een programma van alle betrokken partijen in de Medisch Specialistische Zorg. FMS is één van deze betrokken partijen. De implementatieagenda van ZE&GG bevat onderwerpen over wat de bewezen beste zorg is en die in de dagelijkse zorgpraktijk geïmplementeerd zouden moeten worden.Zorgverzekeraars Nederland (ZN) en de Nederlandse Vereniging voor Ziekenhuizen (NVZ) hebben landelijke afspraken gemaakt over de implementatie van de onderwerpen van de implementatieagenda. Deze afspraken zijn onderdeel van de zorginkoopafspraken tussen zorgverzekeraars en zorgaanbieders. Vanuit FMS worden sterke, goed onderbouwde aanbevelingen, getoetst op de behoefte aan een implementatie impuls aangedragen. Voor de beoordeling van onderwerpen uit richtlijnen wordt gekeken naar bovenstaande tabel voor een inschatting van de implementatie impuls. Met de ingevulde implementatietabel kunnen we vanuit FMS de andere HLA-MSZ partijen goed informeren om zo samen te beslissen of de aanbeveling daadwerkelijk op de implementatie agenda zal worden geplaatst.