Kennisvragen

Tijdens de ontwikkeling van deze modules is systematisch naar onderzoeken gezocht die de zoekvraag kunnen beantwoorden. Door gebruik te maken van een systematische literatuuranalyse met beoordeling van de bewijskracht is duidelijk geworden dat er binnen deze module nog kennisvragen bestaan. De werkgroep meent dat (vervolg)onderzoek wenselijk is om in de toekomst een duidelijker antwoord te kunnen geven op vragen uit de praktijk.

Module Aorto-pulmonale en RV-pulmonale shunts

  1. Is er een verschil in de kans op shunttrombose tussen patiƫnten met een mBTT-shunt, een centrale shunt of een Sano/RV/PA-shunt? En wat is het effect van antistollingsmedicatie op deze verschillende shunts? Gezien het feit dat TAR standaard zorg is geworden zal het echter vrijwel onmogelijk zijn om in een RCT een TAR met placebo te vergelijken.
  2. Wat is het verschil tussen TAR en LMWH in het voorkomen van shunttrombose bij kinderen met een AP-shunt? Er kan een RCT ontwikkeld worden om deze vraag te beantwoorden.
  3. Is er een verschil in het ontstaan van shunttrombose tussen patiƫnten waarbij direct postoperatief met intraveneuze TAR wordt gestart versus start met orale TAR op het moment dat enterale voeding gestart wordt?
  4. Wat is het effect van verschillende doseringen acetylsalicylzuur op het voorkomen van shunttrombose?
  5. Is het bij hoogrisico shunts (onder andere <3.5mm, meerdere shunts, AP-shunt en antegrade flow over pulmonaalarterie) zinvol om profylaxe met twee TAR tegen ipv monotherapie in het voorkomen van shunttrombose?

Toelichting:

Het is nog onvoldoende duidelijk welke profylaxe de voorkeur moet hebben in het voorkomen van shunttrombose. Er zal verder onderzoek gedaan moeten worden naar het verschil in effect tussen LMWH en de verschillende TAR, het precieze moment van starten en de optimale dosering.