Veneuze pathologie / Ulcus cruris venosum

Initiatief: NVDV Aantal modules: 32

Debridement

Uitgangsvraag

Wat is de plaats van debridement bij patiënten met UCV en met welke techniek?

Aanbeveling

  • Voer niet standaard een debridement uit bij UCV-patiënten.
  • Verkies een chirurgisch, mechanisch of scherp debridement boven enzymatisch of autolytisch debridement.

Overwegingen

Kwaliteit van bewijs

De bewijskrachten uit de RCT’s zijn verlaagd tot zeer laag doordat er per vergelijking één tot een klein aantal studies zijn met relatief kleine patiëntaantallen per studie. Tevens is er sprake van een heterogene patiëntenpopulatie, waardoor er geen advies kan worden gegeven over de toepassing van (een vorm van) debridement bij patiënten met een UCV. 

 

Balans van gewenste en ongewenste effecten

Debridement bij een UCV is een terugkerend discussiepunt waar de meningen over verdeeld blijven, en hoewel het aannemelijk lijkt dat een schoon wondbed tot snellere genezing leidt, blijft er maar zeer summier wetenschappelijk ondersteuning voor. Voor individuele patiënten is met name chirurgisch debridement pijnlijk tijdens en lang na de behandeling, wat niet bijdraagt aan kwaliteit van leven.

 

Professioneel perspectief

Beslag op ulcera en de aanwezigheid en mate van necrose kan lastig te beoordelen zijn. Dit kan leiden tot onnodig inzetten van debridement. Gezien het ontbreken van goede wetenschappelijke onderbouwing, de pijnklachten die deze behandeling kan geven, zou het routinematig inzetten van debridement niet gestimuleerd moeten worden.

 

Waarden en voorkeuren van patiënten

Debridement, met name chirurgische debridement, zorgt voor pijn tijdens en na de behandeling. Dit kan afdoen aan de kwaliteit van leven van deze groep. Daarom is het belangrijk na te gaan of deze behandeling echt effectief en essentieel is voor versnelde wondgenezing.

 

Bespreek de reden voor het uitvoeren van debridement en informeer de patiënt over de voor- en nadelen hiervan; onder andere de duur van de behandeling, herstel, mogelijke complicaties. Kom samen tot een besluit over de best passende behandeling.

Aanvaardbaarheid en haalbaarheid

Chirurgisch debridement is makkelijk uitvoerbaar en kan een toegevoegde waarde hebben bij een geselecteerde patiëntengroep, met name bij patiënten met een slecht genezend  UCV.

 

Enzymatisch debridement is in het algemeen een niet bewezen effectieve behandeling, maar wel een goedkope behandeling, die in een aantal gevallen een verbetering geeft. Met name bij niet nattende wonden met necrose kan dit een alternatief zijn.

 

Rationale voor de aanbeveling

Er is onvoldoende bewijs om (een vorm van) debridement te adviseren bij patiënten met een UCV vanwege het relatief kleine aantal patiënten en de heterogene patiëntenpopulatie in de studies.

Onderbouwing

Onderliggende pathogene kenmerken zorgen voor een continue opbouw van hypoxisch en necrotisch weefsel. Debridement is het verwijderen van necrotisch weefsel, fibrineus beslag en ander wonddebris. Hierdoor wordt een zo optimaal mogelijk wondmilieu voor genezing bewerkstelligd. Een overzicht van de meegenomen verschillende vormen van debridement. vindt u in tabel 1 ‘’Overzicht van de verschillende type debridement’’.

 

Tabel 1 Overzicht van de verschillende type debridement.

Type debridement

Uitleg

Chirurgisch

Operatieve verwijdering van weefsel

Scherp

Verwijdering van oppervlakkig weefsel met behulp van een curette, scalpel en/of schaar al dan niet onder plaatselijke verdoving

Mechanisch

Niet-selectief debridement door therapeutische irrigatie, monofilament fibre pads, laag-frequente US, hydrochirurgie

Autolytisch

Selectief langzaam debridement dat op een natuurlijke manier plaatsvindt en kan worden ondersteund met topische middelen en wondbedekkers (incl. eusol, cadexomeer jodium, honinggel, vezelgel, polyhexamineethileen biguanide)

Enzymatisch (ook wel chemisch/’surfactant’)

Applicatie van exogene enzymen of chemicaliën op de wondoppervlakte, waaronder alginogel, en wondreinigers en gels met hoge of lage concentraties oppervlakteactieve stoffen

Zeer laag

Uitkomstmaten: wondgenezing, tijd tot wondgenezing, kwaliteit van leven, pijn, bijwerkingen of gebruiksgemak

We zijn onzeker over het effect is van verschillende vormen van debridement (autolytisch of enzymatisch) op de uitkomstmaten wondgenezing, tijd tot wondgenezing, kwaliteit van leven, pijn, bijwerkingen of gebruiksgemak bij patiënten met UCV.

 

Gethin 2015

Er werd één literatuursearch uitgevoerd voor de modules Huidtransplantatietechnieken & vervangingsproducten en Debridement. Er werden in totaal 348 studies gevonden. Er werden 51 studies geïncludeerd op basis van beoordeling van titel en abstract. Uiteindelijk is er na full text screening één studies geïncludeerd voor deze module. Specifieke redenen voor exclusie zijn beschreven in de bijlage ‘‘overzicht van geëxcludeerde studies’’.

 

Eén Cochrane review van Gethin et al. (2015) werd geïncludeerd voor en werd gebruikt als leidraad voor deze module. Er werden verder geen studies toegevoegd aan deze review uit de literatuursearch die voldeden aan de inclusiecriteria. Screening van referenties van de geïncludeerde literatuur identificeerde hiernaast geen additionele studies. Het totaal van de geïncludeerde studies komt hiermee op één.

 

Beschrijving van de studies

De Cochrane review van Gethin et al. (2015) includeerde 10 RCT’s met in totaal 715 patiënten, waarvan 9 studies met 703 patiënten voldeden aan onze PICO.

 

Hiervan vergeleken zeven RCT’s met in totaal 630 patiënten verschillende vormen van autolytische debridement met elkaar: biocellulose wondbedekker, niet-adherente dressing, honinggel, hydrogel, hydrovezel wondbedekker, hydrocolloïd wondbedekker, dextranomeer kralen, Edinburgh University Solution of Lime (EUSOL) en paraffine gazen. Twee RCT’s hebben enzymatische debridement vergeleken met autolytische debridement. Geen RCT’s onderzochten chirurgische, scherpe of mechanische manieren van debridement, of debridement vergeleken met geen debridement. Aangezien er geen aanvulling is betreft de chirurgische debridement wordt voor dit onderdeel verwezen naar module 4.1.1. UCV - chirurgisch debridement van de richtlijn van 2014. 

 

Risk of Bias

Over het geheel genomen heeft de Cochrane review van Gethin et al. (2015) een hoog risico op bias. De auteurs van de Cochrane review constateerden dat de baseline groepen van behandeling en controle gelijk waren voor leeftijd, wondgrootte en -duur in de helft van de studies.

De risk of bias van de primaire studies zijn overgenomen uit de Cochrane review van Gethin et al. (2015). Bij drie RCT’s is sprake van een laag risico op bias wat betreft de randomisatie, wat bij zes studies onduidelijk was. Ook de allocatie was bij een groot deel, 6/9 studies onduidelijk. Bij zes van de negen studies werden de uitkomsten niet geblindeerd beoordeeld, maar om de kans op detectiebias te minimaliseren werd digitale beeldvorming gebruikt. Verder was er een hoog risico op bias door blindering bij vier studies als het gaat om de uitkomst genezingstijd, bij vijf studies voor de uitkomst bijwerkingen en bij vijf studies voor de uitkomst ulcus gerelateerde pijn.

 

Bij vijf van de primaire studies was er sprake van incomplete datasets en werden niet alle uitkomsten gepresenteerd, die eerder wel benoemd waren in het studieprotocol.

 

Beschrijving van de resultaten

Volledige genezing van een ulcus  

Verschillende autolytische debridement vergeleken met elkaar

Twee RCT’s uit de Cochrane review van Gethin et al. (2015) met in totaal 156 participanten hebben het aantal genezen wonden op week 12 gerapporteerd. Eén studie met 108 patiënten toonden aan dat 24/44 (44%) wonden die 4 weken behandeld waren met honing genas op week 12, vergeleken met 18/54 (33%) wonden die behandeld waren met 4 weken hydrogel (RR 1,38, 95% BI van 1,02 tot 1,88; p-waarde 0.037). De tweede studie had aanvankelijk 48 patiënten. Echter hadden 13 patiënten (7 biocellulose wondbedekker vs. 8 niet-adherente dressing) teruggetrokken. Uiteindelijk gaf de studie aan dat 7/18 van de wonden die behandeld waren met biocellulose wondbedekker geheeld waren, vergeleken met 7/15 van de wonden die behandeld waren met niet-adherente dressing. De analyse op basis van het aantal geheelde wonden en alle geïncludeerde patiënten toonde geen statistisch significant verschil (RR 0,92 met 95% BI van 0,38 tot 2,22). 

 

Enzymatische debridement vergeleken met autolytische debridement

De uitkomstmaat volledige wondgenezing werd niet gerapporteerd in de studies die enzymatische debridement vergeleken met autolytische debridement.

 

Tijd tot wondgenezing

De uitkomstmaat tijd tot wondgenezing werd niet gerapporteerd in de geïncludeerde studies.

 

Kwaliteit van leven

De uitkomstmaat kwaliteit voor leven werd niet gerapporteerd in de geïncludeerde studies.

 

Pijn

Verschillende autolytische debridement vergeleken met elkaar

Pijn werd geobserveerd in zes primaire studies uit de Cochrane review van Gethin et al. (2015) met in totaal 544 patiënten, waarbij verschillende autolytische debridement technieken werden vergeleken met elkaar: 1. dextranomeer kralen vergeleken met eusol; 2. cadexomeer jodium vergeleken met standaardzorg; 3. biocellulose wondbedekker vergeleken met hydrovezel; 4. cadexomeer jodium vergeleken met hydrocholloid vergeleken met paraffine; 5. Honing gel vergeleken met hydrogel en 6. biocellulose wondbedekker vergeleken met niet-adherente dressing. Er waren geen statistisch significante resultaten gevonden.

 

Enzymatische debridement vergeleken met autolytische debridement

Westerhof et al. (1990) rapporteerden dat enzymatische en autolytische debridement vergelijkbare pijnreducties gaven.

 

Bijwerkingen

Verschillende autolytische debridement vergeleken met elkaar

Er werden geen bijwerkingen gerapporteerd in de studies waarbij verschillende autolytische debridement met elkaar werden vergeleken.

 

Enzymatische debridement vergeleken met autolytische debridement

Westerhof et al. (1990) rapporteerden geen bijwerkingen in beide groepen.

 

Gebruiksgemak

De uitkomstmaat gebruiksgemak werd niet gerapporteerd in de geïncludeerde studies.

 

Kwaliteit van het bewijs 

De GRADE bewijskracht van de conclusie voor deze vergelijking zijn overgenomen uit de Cochrane review van Gethin et al. (2015) Voor de GRADE evidence tabellen wordt verwezen naar het oorspronkelijke artikel van deze Cochrane review.

 

Zeer laag

Uitkomstmaten: wondgenezing, tijd tot wondgenezing, kwaliteit van leven, pijn, bijwerkingen of gebruiksgemak

We zijn onzeker over het effect is van verschillende vormen van debridement (autolytisch of enzymatisch) op de uitkomstmaten wondgenezing, tijd tot wondgenezing, kwaliteit van leven, pijn, bijwerkingen of gebruiksgemak bij patiënten met UCV.

 

Gethin 2015

Om de uitgangsvraag te beantwoorden is een systematische literatuuranalyse uitgevoerd. Voor dit onderzoek is de volgende PICO opgesteld:

P: Patiënten met een UCV

I: Debridement

C: Geen behandeling of in vergelijking met een andere behandeling

O: Zie hieronder weergegeven

 

Uitkomstmaten        

De werkgroep definieerde de uitkomstmaten als volgt en hanteerde de in de studies gebruikte definities.

Cruciaal

  • Volledige genezing van een ulcus  
  • Tijd tot wondgenezing

Belangrijk

  • Kwaliteit van leven
  • Pijn
  • Bijwerkingen
  • Gebruiksgemak

Zoeken en selecteren

Er werd een systematische zoekstrategie uitgevoerd in de elektronische databases CENTRAL, Embase, Medline en Cinhal. De zoekstrategieën zijn toegevoegd in de bijlage ‘‘zoekstrategieën, PICO en selectiecriteria’’. Studies werden geïncludeerd wanneer deze overeenkwamen met de elementen van de PICO en aan de volgende in- en exclusiecriteria voldeden:

 

Inclusiecriteria:

  • N ≥ 30
  • Ulcus op basis van veneuze insufficiëntie, ongeacht de ernst en omvang
  • Prospectieve studieopzet
  • Vergelijkend onderzoek
  • Beschreven in het Nederlands, Engels, Frans of Duits
  • De therapie is beschikbaar in Nederland
  • Vanaf 1995

Exclusiecriteria:

  • Arteriële of diabetische ulcera
  • Ulcus met verschillende onderliggende pathologie (Combinatie met diabetes en/of artherosclerose)
  1. 1 - Gethin, G., Cowman, S., & Kolbach, D. N. (2015). Debridement for venous leg ulcers. The Cochrane database of systematic reviews, 2015(9), CD008599. https://doi.org/10.1002/14651858.CD008599.pub2

De GRADE bewijskracht van de conclusie voor deze vergelijking zijn overgenomen uit de Cochrane review van Gethin et al. (2015). Voor de GRADE evidence tabellen wordt verwezen naar het oorspronkelijke artikel van deze Cochrane review.

Systematische reviews:

Beoordeling risk of bias door middel van AMSTAR.

Study reference

 

(first author, publication year)

Appropriate and clearly focused question?

 

 

 

 

 

Yes/no

Comprehensive and systematic literature search?

 

 

 

Yes/partial yes/ no

Description of included and excluded studies?

 

 

 

Yes/partial yes/ no

Description of relevant characteristics of included studies?

 

 

Yes/partial yes/no

Assessment of scientific quality of included studies?

 

 

 

Yes/partial yes/no

Enough similarities between studies to make combining them reasonable?

 

Yes/partial yes/ no

Potential risk of publication bias taken into account?

 

 

 

Yes/partial yes/ no

Potential conflicts of interest reported?

 

 

 

Yes/partial yes/ no

Gethin, 2015

 

yes

 

yes

yes

yes

yes

 

no

 

no

no

 

Tabellen karakteristieken geselecteerde studies

Study reference

 

Study characteristics

Patient characteristics

Intervention (I)

Comparison / control (C)

Follow-up

Outcome measures and effect size

Comments

Gethin, 2015

Type of study: Cochrane systematic review including 10 RCT’s, of which 9 relevant.  (13 publications)

 

 

A. Alvarez, 2012

 

B. Gethin, 2007

 

C. Groenewald, 1980

 

D. Hansson, 1998

 

E. Jasiel, 1996

 

F. Konig, 2005

 

G. Skog, 1983

 

H. Westerhof, 1990

 

I. Wild, 2010

 

Inclusion criteria:

Types of studies:

RCTs, either published or unpublished,

which compared:

• debridement with no debridement;

• different methods of debridement.

No restriction on date of publication, language or publication status.

 

Patients:

participants of any age, in any care setting, and with venous leg ulceration (which may also be described as stasis or varicose ulceration).

 

Types of interventions:

All methods of debridement (i.e. the removal of devitalised or

necrotic tissue, or both, from the wound) compared with no debridement

or any other method of debridement in people with

venous ulcers.

 

Outcome measures

1. Wound healing measured by the time to complete healing or the number of wounds completely healed during the trial period.

2. pain measured on a validated scale.

3. Number of complications or adverse events reported.

 

Date search:

Februari 2015

 

N total:

715 participants

 

1. Autolytic debridement

Groenewald 1980; Skog 1983; Jasiel 1996; Hansson 1998; Gethin 2007; Wild 2010; Alvarez

2012

 

2. Enzymatic debridement

Westerhof 1990; Konig 2005

 

 

 

1. Autolytic debridement

 

 

 

 

 

 

2. Autolytic debridement

 

 

 

 

 

 

Length of follow-up:

The studies had a variety of duration of active treatment and follow-up. Active treatment ranged from 1 to 4 weeks

2 studies had a follow-up period of 12 weeks.

 

 

Loss-to-follow-up:

Not specified

 

 

 

Two autolytic debridement methods

 

1. Number of wounds healed

- Gethin 2007 reported healing at 12 weeks in 24/54 (44%) of those treated for four weeks with honey versus 18/54 (33%) of those treated for four weeks with hydrogel. Analysis of the results with binomial regression to adjust for initial wound diameter provided a RR of 1.38 (95% CI 1.02 to 1.88; P value 0.037). Analysis of numbers healed as a dichotomous outcome gave a RR of 1.33 (95% CI, 0.82 to 2.16).

-The Alvarez 2012 trial reported the numbers healed at 12 weeks on a PP basis as 7/18 for the BWD group versus 7/15 for the non-adherent dressing group. The difference is not statistically significant, RR 0.92 (95% CI, 0.38 to 2.22)

 

1. Pain

Pain was reported in six studies, and while the use

of a VAS was the most common method, there was inconsistency

between studies with regard to the size and type of scale used.

There was no reference to validation of these scales for use in pain

assessment in venous ulceration, but there was an overall reduction

in pain when wounds were debrided

 

1. adverse events

Not reported

 

Enzymatic debridement compared with autolytic

Debridement

 

2. Number of wounds healed

Not reported

 

2. Pain

Westerhof 1990 trial did not refer to a validated pain assessment scale, but reported that “both treatments caused a similar

reduction in pain”.

 

2. adverse events

Westerhof 1990 reported that “there were no signs of side effects”

in either group

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Exclusies na full tekst screening.

Artikel

Reden van exclusie

Huidtransplantatie en debridement

 

Budamakuntla 2017

Onvoldoende patiënten aantal (n=15) en niet vergelijkend

Campbell 2014

Madentherapie

Cedef 2018

Case report, Franstalig

Contreras-Ruiz 2016

Madentherapie

Davies 2015

Madentherapie

De Angelis 2019

Combinatietherapie met dermal substitute

Doerler 2012

Systematische review, relevante studies reeds meegenomen

Everts 2017

17,9% veneuze etiologie

Ferrer-Sola 2017

9,4% veneuze etiologie

Fourgeaud 2016

36% veneuze etiologie, incorrect studiedesign en franstalig artikel

Greaves 2013

Onvoldoende patiënten aantal (n=20) en irrelevante vergelijking

Gualdi 2016

Onvoldoende patiënten aantal (n=5)

Hall 2019

Geen full tekst beschikbaar

Herberger 2011

Aandeel veneuze etiologie niet helder

Hoppe 2012

SR debridement, Gethin 2015 gekozen als leidende SR

Humrich 2018

Onvoldoende aandeel veneuze etiologie

Jimenez-Hernandez 2014

Onvoldoende patiënten aantal

Jprn 2011

Madentherapie

Kadia 2017

Onvoldoende patiënten aantal (n=13)

Klebuc 2017

Narrative review

Landsman 2016

Irrelevante uitkomstmaat

Lauchli 2014

Irrelevante vergelijking (verschillende dressings bij graft)

Ma 2014

Irrelevante uitkomstmaat

Madhok 2013

Oudere SR

Martinez 2016

Voldoet niet geheel aan inclusie criteria

Maslowski 2020

Pilot studie met onvoldoende patiënten

Morton 2013

Guideline, niet gespecificeerd voor chirurgische wondbehandeling

Mudge 2014

Madentherapie

NCT0174305, 2012

Geen studieresultaten beschikbaar

NCT02148302, 2014

Unpublished data

NCT03881267, 2019

Ongoing trial (recruitment phase)

Pla Sanchez 2019

Geen vergelijkend studiedesign en onvoldoende patiënten aantal (n=12)

Salome, Blanes 2014

Uitkomstmaat genezingstendens ontbreekt

Salome, Magela 2014

Uitkomstmaat genezingstendens ontbreekt

Salome 2013

Uitkomstmaat genezingstendens ontbreekt

Shi 2014

Madentherapie

Stott 2016

Samenvatting artikel Gethin

Williams 2019

Case report

Nelson 2016

Voldoet niet aan PICO

Andrejuk, 2016

Voldoet niet aan PICO

Blumberg, 2012

Voldoet niet aan PICO

Conde-Montero, 2020

Voldoet niet aan PICO

Obermayer, 2016

Voldoet niet aan PICO

Serra, 2012

Voldoet niet aan PICO

Serra, 2016

Voldoet niet aan PICO

Tzaneva, 2014

Voldoet niet aan PICO

Wilcox, 2013

Voldoet niet aan PICO

Rainys 2019

Voldoet niet aan patiëntenpopulatie

Shen 2019

Voldoet niet aan patiëntenpopulatie

 

 

Topical agents & dressings

 

Betts, 2018

Conference abstract

Ctri (Gojiva), 2018

Ongoing trial

Ctri (Vamlapana), 2019

Trial in fase van includeren patiënten

DIssemond (b), 2020

Narratieve review

Dissemond (c), 2020

Arteriële en veneuze etiologie samengenomen

Elgarhy, 2020

Groot aandeel DM

Givol, 2019

Irrelevante behandeling + dierstudies

Hongrang, 2019

Geen full tekst beschikbaar

Jull, 2018

Studie protocol

Kkq2h (silver hydrofibrate), 2019

Ongoing trial (not yet recruiting)

Miles, 2019

Studie protocol

Moreno-eutimo, 2018

Diagnose VLU onduidelijk

Morilla-Herrera, 2020

Studie protocol

NCT03662997 (3 multi-layered foam dressings)

Ongoing trial (no results posted)

NCT03589586 (dermacell)

Ongoing trial (recruiting)

NCT03596112 (wound dressing compare)

Ongoing trial (no results posted)

NCT03621592 (wound dressing compare)

Ongoing trial (recruiting)

NCT03903692 (MPS and CMC dressings)

Ongoing trial (recruiting)

NCT04078555 (ENERGI-F703 GEL)

Ongoing trial (not yet recruiting)

NCT04198441 (omeza protocol)

Ongoing trial (recruiting)

NCT03881267 (skin-TE)

Ongoing trial (recruiting)

NCT04178525 (chitosan gel)

Ongoing trial (recruiting)

Pactrial, 2019

Ongoing trial (no results posted)

Probst, 2019

Irrelevante behandeling (timolol)

Purcell, 2018

Aandeel veneuze etiologie onduidelijk

Raju, 2019

Veneuze etiologie 1/3, maar niet uitgesplitst in resultaten

Sigal, 2019

Geen vergelijkende studie

Westby, 2018

Irrelevante uitkomstmaat

Yeowell, 2018

Conference abstract

Zelenikova, 2019

Onvoldoende VLU + groot deel icm DM

Zhang, 2019

Irrelevante therapie en aandeel veneuze etiologie onduidelijk

Atias, 2020

Voldoet niet aan PICO

Bianchi, 2018 (skin grafts)

Voldoet niet aan PICO

Cazzell, 2019 (skin grafts)

Voldoet niet aan PICO

Colenci, 2019

Voldoet niet aan PICO

Dissemond (a), 2020

Voldoet niet aan PICO

 

 

Overige behandelingen       

 

Arvensen 2017

Case series met 11 patiënten

Barrientos, 2014

Niet gespecificeerd voor veneuze etiologie

Bradbury, 2015

Case series

Brinkert, 2013

Combinatietherapie NPWT en saline oplossing

Cetinkava, 2020

Combinatiebehandeling HA+SA+NPWT

Couture, 2016

Geen vergelijkende studie

Cuomo, 2017

Experimenteel VAC device

De Angelis, 2019

Veneuze etiologie niet gespecificeerd

Driver, 2016

Kosteneffectiviteitsstudie

Egemen, 2012

Geen vergelijkende studie, n=20

Elheneidy, 2016

Geen relevante behandeling

Etugoy, 2018

Editorial

Gonzalez, 2017

Handcrafted VAC device (niet gestandaardiseerd)

Greer, 2013

SR niet gespecificeerd voor veneuze etiologie

Hanumanthappa, 2012

Aandeel veneuze etiologie slechts 10%

Hesseler, 2019

SR niet gespecificeerd voor veneuze etiologie (studies voor UCV zijn in richtlijn geïncludeerd)

Huang, 2011

Geen full tekst beschikbaar

Kirsner, 2020

Kosteneffectiviteitsstudie

Kiwanuka, 2012

Narratieve review

Lima, 2017

Onvoldoende aandeel veneuze etiologie

Marston, 2015

Mechanische vs. Elektrische NPWT

Milek, 2019

DM

Morimoto, 2012

Narratieve review

Morimoto, 2013

Case series met 13 patiënten

O’Connell, 2012

Narratieve review

Otero, 2018

Conference abstract

Rivers, 2014

Narratieve review

San Sebastian, 2014

Studieprotocol

Santoro, 2018

Conference abstract

Schintler, 2012

Oude SR+MA NPWT

Semenic, 2018

Onvoldoende patiëntenaantal en diagnostische criteria UCV niet helder

Stone, 2020

DM

Stryia, 2015

Geen full tekst beschikbaar

Tan, 2018

Gecombineerde behandeling VAC+GF, niet gespecificeerd voor ulcera met veneuze etiologie

Tawfick, 2019

Conference abstract

Wu, 2018

N=4, geen vergelijkende studie

Yuvarsi, 2020

Geen full tekst beschikbaar

Zollino, 2017

Geen relevante behandeling

Nelson, 2016

Voldoet niet aan PICO

Dabiri, 2013

Voldoet niet aan PICO

Westby, 2016 (CR protease modulerende matrix VLU)

Voldoet niet aan PICO

Xia, 2019

Voldoet niet aan PICO

Alvarez, 2020

Voldoet niet aan PICO

Armstrong, 2012

Voldoet niet aan PICO

Bianchi, 2018

Voldoet niet aan PICO

Bianchi, 2019

Voldoet niet aan PICO

Burgos-Alonso, 2018

Voldoet niet aan PICO

Elbarbary, 2020

Voldoet niet aan PICO

Harding, 2013

Voldoet niet aan PICO

Kirsner, 2019

Voldoet niet aan PICO

Lantis, 2013

Voldoet niet aan PICO

Moneib, 2018

Voldoet niet aan PICO

Serena, 2014

Voldoet niet aan PICO

Escamilla 2017

Voldoet niet aan uitkomstmaat

Burgos-Alonso, 2017

Voldoet niet aan PICO

 

 

Autorisatiedatum en geldigheid

Laatst beoordeeld  : 13-10-2023

Laatst geautoriseerd  : 13-10-2023

Geplande herbeoordeling  :

Voor het beoordelen van de actualiteit van deze richtlijn is de werkgroep grotendeels in stand gehouden. Op modulair niveau is een onderhoudsplan beschreven. Bij het opstellen van de richtlijn heeft de werkgroep per module een inschatting gemaakt over de maximale termijn waarop herbeoordeling moet plaatsvinden en eventuele aandachtspunten geformuleerd die van belang zijn bij een toekomstige herziening (update).

 

De Nederlandse Vereniging voor Dermatologie en Venereologie (NVDV) is regiehouder van deze richtlijn Veneuze Pathologie en eerstverantwoordelijke op het gebied van de actualiteitsbeoordeling van de richtlijn. De andere aan deze richtlijn deelnemende wetenschappelijke verenigingen of gebruikers van de richtlijn delen de verantwoordelijkheid en informeren de regiehouder over relevante ontwikkelingen binnen hun vakgebied.

Initiatief en autorisatie

Initiatief:
  • Nederlandse Vereniging voor Dermatologie en Venereologie
Geautoriseerd door:
  • Nederlandse Vereniging voor Dermatologie en Venereologie
  • Nederlandse Vereniging voor Heelkunde
  • Nederlandse Vereniging voor Radiologie
  • Verpleegkundigen en Verzorgenden Nederland
  • Patiëntenfederatie Nederland
  • Nederlandse Vereniging van Huidtherapeuten
  • Harteraad
  • Huid Nederland
  • Nederlandse Associatie Physician Assistants
  • Nederlands Vereniging Compressie Zorg

Algemene gegevens

Aanleiding

Op initiatief van de Nederlandse Vereniging voor Dermatologie en Venereologie werd de richtlijn Veneuze pathologie uit 2014 modulair herzien in 2023. De laatste jaren zijn er meer gegevens bekend omtrent de resultaten van de nieuwere behandelingsmogelijkheden die maken dat de Overkoepelde richtlijn veneuze pathologie uit 2014 aan herziening toe is. Zodoende heeft de Nederlandse Vereniging voor Dermatologie en Venereologie (NVDV) wederom gelden vrijgemaakt op hun begroting en besloten de richtlijn te herzien, dit in samenwerking met veldpartijen.

 

Voor patiënten is goede uitleg over de behandelopties en de daarbij te maken afwegingen van belang. Relevante te bespreken onderwerpen zijn onder meer: voor- en nadelen of risico’s van de verschillende behandelopties, waaronder impact van de ingreep, pijn, herstelperiode, gevolgen voor functioneren en andere voor de patiënt van belang zijn de aspecten. In het kader van samen beslissen stelt de behandelaar in samenspraak met de patiënt vast aan welke informatie hij/zij behoefte heeft, welke afwegingen voor de patiënt van belang zijn en de mate waarin de patiënt deze afweging wil en kan maken.

 

Afbakening onderwerp 

In deze richtlijn worden adviezen gegeven ten aanzien van diagnostiek en behandeling van veneuze pathologie en dient als leidraad voor de dermatoloog en andere zorgprofessionals die in aanraking komen met patiënten met varices en veneuze ulcera.

Definities

Oedeemtherapeut

Wanneer in de richtlijn de term ‘oedeemtherapeut’ wordt gebruikt, bedoelt de werkgroep alle zorgverleners die bevoegd zijn oedeemtherapie te praktiseren. In Nederland mogen twee beroepsgroepen de titel oedeemtherapeut dragen na het volbrengen van een erkende cursus: de huid- en oedeemtherapeut en de fysiotherapeut.

 

Compressietherapie

Compressietherapie betekent letterlijk drukbehandeling. In deze richtlijn wordt hiermee bedoeld het aanbrengen van drukmiddelen die de veneuze en lymfatische afvloed bevorderen. In de praktijk wordt vaak gesproken van ambulante compressie, omdat het samengaan van de comprimerende werking van het aangelegde verband en de pompwerking van de spieren het beoogde resultaat tot stand brengt. Men onderscheidt verschillende compressiemiddelen, waaronder diverse types zwachtels (niet-elastische compressie), therapeutisch elastische kousen (TEK), intermitterende pneumatische compressie (IPC) pompen en adjustable compression devices (ACD).

 

Aanmeter

De aanmeter is in deze richtlijn de zorgprofessional die TEK en/of andere compressiehulpmiddelen aanmeet en levert. In Nederland mogen compressiehulpmiddelen alleen aangemeten worden na het behalen van een erkend diploma. Dit is een discipline met aantekening voor compressietherapeut, dit kan bijvoorbeeld een oedeemtherapeut zijn. Het verdient sterk de voorkeur dat de aanmeter direct bij het behandelproces betrokken is om een adequaat compressiehulpmiddel te kunnen verstrekken. Vaak zal de betrokken oedeemtherapeut (huidtherapeut of oedeemfysiotherapeut) uit service oogpunt ook de gewenste compressiehulpmiddelen aanmeten en leveren. In dit geval heeft die persoon ook de functie van aanmeter en wordt die ook zo genoemd.

Doel en doelgroep

Deze richtlijn is een document met aanbevelingen ter ondersteuning van de dagelijkse praktijkvoering. De richtlijn berust op de resultaten van wetenschappelijk onderzoek en aansluitende meningsvorming gericht op het vaststellen van goed medisch handelen. De richtlijn geeft aanbevelingen over begeleiding en behandeling van patiënten met veneuze pathologie.

Doelgroep
De richtlijn is bedoeld voor alle betrokken beroepsgroepen. Voor huisartsen geldt primair de NHG-standaard Ulcus cruris venosum en de NHG-standaard Varices. Als de huisarts bij patiënten met veneuze pathologie niet meer met de NHG-standaard uitkomt, kan de huisarts gebruikmaken van deze richtlijn. Voor patiënten zijn afgeleide producten gemaakt, zoals te vinden op de websites van de betrokken patiëntenvereniging(en) en Thuisarts.nl.

Samenstelling werkgroep

Voor het ontwikkelen van de richtlijn werd een multidisciplinaire werkgroep ingesteld. Bij het samenstellen van de werkgroep werd rekening gehouden met de geografische spreiding van de werkgroepleden en met een evenredige vertegenwoordiging van academische en niet-academische achtergrond. De werkgroepleden hebben onafhankelijk gehandeld en geen enkel lid ontving gunsten met het doel de richtlijnen te beïnvloeden. Naast de afgevaardigden van de verschillende beroepsgroepen is er ook een patiëntenvertegenwoordiger betrokken geweest bij de ontwikkeling van de richtlijn. Voor een volledig overzicht van voorgaande werkgroepen en alle betrokken partijen wordt verwezen naar de bijlage ‘’overzicht wegroepen en betrokken partijen’’.

 

Werkgroepleden Richtlijn Veneuze pathologie – versie 2023

Vereniging

Dr. K.P. de Roos, dermatoloog, voorzitter

NVDV

Dr. M.B. Visch, dermatoloog

NVDV

Dr. C van Montfrans, dermatoloog

NVDV

Drs. E.D. Ponfoort, vaatchirurg

NVVH

Drs. C.W.K.P. Arnoldussen, interventieradioloog

NVVR

Prof. Dr. M. W. de Haan, radioloog

NVVR

Drs. L. Havekes, huisarts

NHG

Drs. J.C. de Schepper, compressie-expert

NVCZ

Mw. M. Tol, physician assistant Dermatologie

NAPA

Mw. M. Magielse-van Diessen, wondconsulent

V&VN

Dhr. J.C. Koenen, verpleegkundigspecialist

V&VN

Mw. M. Orsini, verpleegkundigspecialist

V&VN

Mw. S. Amesz, verpleegkundigspecialist

NOvW (inactief)

Mw. Y.A.P. Roumen, oncologie-, oedeem- en huidtherapeut

NVH

Dhr. N. Berndsen, patiëntvertegenwoordiger*

Huid NL, NvWSWs

Ondersteuning werkgroep Richtlijn Veneuze pathologie

 

Dr. J.J.E. van Everdingen, dermatoloog

NVDV

Dr. A. van Enst, klinisch epidemioloog

NVDV

Drs. L. Vos, arts-onderzoeker, mei 2020 t/m juli 2021

NVDV

Drs. Esther van Veen, arts-onderzoeker, sep 2021 t/m mei 2022

NVDV

Drs. Y. Chao Weng, arts-onderzoeker, feb 2022 t/m dec 2022

NVDV

Drs. A.C. de Waal, arts-onderzoeker, okt 2022 t/m dec 2022

NVDV

Drs. C. Smit, arts-onderzoeker, dec 2022 t/m okt 2023

NVDV

Drs. D.S. Adamse, arts-onderzoeker, jan 2023 t/m okt 2023

NVDV

*Huid Nederland (Nils Berndsen) is betrokken geweest bij de gehele ontwikkeling van de richtlijn. Harteraad heeft niet deelgenomen aan de werkgroepvergaderingen, maar is wel betrokken geweest bij het initieel ophalen en inbrengen van het patiëntenperspectief (Anne-Marie Auwerda) en bij de pressure cooker (Sanne Ruigrok).

Belangenverklaringen

De KNMG-code ter voorkoming van oneigenlijke beïnvloeding door belangenverstrengeling is gevolgd. Alle werkgroepleden hebben schriftelijk verklaard of zij in de laatste drie jaar directe financiële belangen (betrekking bij een commercieel bedrijf, persoonlijke financiële belangen, onderzoeksfinanciering) of indirecte belangen (persoonlijke relaties, reputatiemanagement, kennisvalorisatie) hebben gehad. Een overzicht van de belangen van werkgroepleden en het oordeel over het omgaan met eventuele belangen vindt u in de bijlage ‘’belangenverklaringen’’.

 

Werk-groeplid

Hoofdfunctie(s)

Nevenfunctie(s)

Persoonlijke financiële belangen

Persoonlijke relaties

Extern gefinancierd onderzoek

Intellectuele belangen en reputatie

Overige belangen

Getekend op

Acties (voorstel)

Dr. K.P. (Kees-Peter) de Roos; voorzitter wg

Dermatoloog, DermaPark Uden

 

* Lid European Board of Phlebology UEMS, onbezoldigd                         * Lid Raad van Comissarissen Dermahaven Rotterdam, bezoldigd

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

3-6-2020

 

Dr. M.B. (Birgitte) Visch

Dermatoloog, Rijnstate Ziekenhuis en Centrum Huid en Arbeid

 

* Bestuurslid Penningmeester NVDV, onbezoldigd                        * Bestuurslid Penningmeester Stichting Beheer Tijdschriften NVDV, onbezoldigd                       * Bestuurslid Stichting Fonds Onderzoek, onbezoldigd

 

 

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

2-6-2020

 

Dr. C (Bibi) van Montfrans

 

 

Dermatoloog en opleider afdeling dermatologie Erasmus MC

 

*Voorzitter Patient Working Group EADV.

*Lid scientific programming committee EADV co-opted.

*Lid EADV school comité.

*Lid domeingroep Vaten NVDV

*Lid COCOM commissie NVDV

 

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

25-07-2020

 

Drs. E.D. (Erik) Ponfoort

 

Vaatchirurg ZGV Ede

 

* Lid diverse ziekenhuis commissies, onbezoldigd

 

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

17-6-2020

 

Drs. C.W.K.P. (Carsten) Arnoldussen

 

Cardiothoracaal, vasculair en interventieradioloog, MUMC en Viecuri Medisch Centrum

 

Geen relevante voor deze werkgroep

 

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

17-6-2020

 

Prof. Dr. M.W. (Michiel) de Haan

 

Interventieradioloog MUMC

 

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

9-6-2020

 

Drs. L. (Lydia) Havekes

 

Waarnemend huisarts, ZZP

 

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

9-6-2020

 

Mw. M. (Marlies) Tol

 

Physician Assistant Dermatologie, Mauritskliniek Nijmegen

Voorzitter vakgroep Dermatologie NAPA, onbezoldigd

 

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

16-6-2020

 

Drs. J.C. (Joost) de Schepper

Directeur eMJe bv.

 

* Bestuurslid NVCZ, onbezoldigd                       * Docent Dutch HealthTec Academy (DHTA), bezoldigd            * Lid Expertisegroep Educatie Compressiezorg Nova Mundo, onbezoldigd

 

* Dienstverband bij eMJe bv.; als compressietherapeut bij het bedrijf adviseer en meet ik therapeutische elastische kousen en andere compressiehulpmiddelen aan. Dit gaat echter altijd op verwijzing van een arts, er is geen directe toegang tot deze hulpmiddelen                    * Docent DHTA is betaald                                 * verder geen financiële belangen in de branche

 

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

8-6-2020

 

Mw. M. Magielse-van Diessen

 

Wondconsulent St. Anna Ziekenhuis Geldrop

 

* Lid bestuur V&VN wondexpertise, onbezoldigd                       * Lid bestuur WCS decubituscommissie, onbezoldigd

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

25-6-2020

 

Mw. M. (Mariella) Orsini

 

Verpleegkundig Specialist intensieve zorg, RDGG afdeling vaatchirurgie

 

 

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

13-7-2020

 

Dhr. J.C. (Joost) Koenen

 

Verpleegkundig Specialist binnen vaatchirurgie, ZGT Almelo/Hengelo

 

* ZZP, Koenen verpleegkundig specialist werkzaam bij DermaTwente kliniek te Oldenzaal

 

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

16-6-2020

 

Mw. S. (Stella) Amesz

 

Verpleegkundig specialist Zorgbrug House of Wounds

 

 

* Bestuurslid NOVW

 

 

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

5-6-2020

 

Mw. Y.A.P. (Yvette) Roumen

 

Mede praktijkeigenaar/huide-oedeemtherapeut Huid&Vitaal

 

* Bestuurslid NVH, vacatiegeld

 

 

 

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

17-6-2020

 

Dhr. N. (Nils) Berndsen

 

* Adviseur control, gemeente Rotterdam *Eigenaar Promenutes (dienstverlening, financieel, informatiemanagement)

 

 

 

*Penningmeester Nederlandse vereniging voor mensen met een Wijnvlek of Sturge-Weber syndroom, onbezoldigd                       * Voorzitter Volkstuinvereniging Tuinderslust, onbezoldigd                       * Secretaris Stichting Schoolschaak Rotterdam, onbezoldigd * Secretaris (f.t.) Squashvereniging Victoria, onbezoldigd

 

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

24-6-2020

 

Dr. J.J.E. (Jannes) van Everdingen

 

Directeur NVDV

 

 

 

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

2-6-2020

 

Inbreng patiëntenperspectief

Er is aandacht besteed aan het patiëntenperspectief door de zitting neming van een patiënt van  patiëntenvereniging Huid Nederland in de werkgroep en de opname van een module over patiëntenvoorlichting. De conceptrichtlijn is tevens voor commentaar voorgelegd aan de betreffende patiëntenvereniging.

 

Bij de richtlijn is conform de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz) een kwalitatieve raming uitgevoerd of de aanbevelingen mogelijk leiden tot substantiële financiële gevolgen. Bij het uitvoeren van deze beoordeling zijn richtlijnmodules op verschillende domeinen getoetst (gebaseerd op het stroomschema ontwikkeld door FMS).

 

Uit de kwalitatieve raming blijkt dat er waarschijnlijk geen substantiële financiële gevolgen zijn, zie onderstaande tabel.

 

Module

Uitkomst Raming

Toelichting

Stamvarices

Geen substantiële financiële gevolgen

Hoewel uit de toetsing volgt dat de aanbevelingen breed toepasbaar zijn (>40.000 patiënten), volgt uit de toetsing dat het geen nieuwe manier van zorgverlening of andere organisatie van zorgverlening betreft, het geen toename in het aantal in te zetten voltijdsequivalenten aan zorgverleners betreft en het geen wijziging in het opleidingsniveau van zorgpersoneel betreft. Er worden daarom geen financiële gevolgen verwacht.

Aanvullende diagnostiek bij UCV

Geen substantiële financiële gevolgen

Hoewel uit de toetsing volgt dat de aanbevelingen breed toepasbaar zijn (>40.000 patiënten), volgt uit de toetsing dat het geen nieuwe manier van zorgverlening of andere organisatie van zorgverlening betreft, het geen toename in het aantal in te zetten voltijdsequivalenten aan zorgverleners betreft en het geen wijziging in het opleidingsniveau van zorgpersoneel betreft. Er worden daarom geen financiële gevolgen verwacht.

Invasieve behandeling bij UCV

Geen substantiële financiële gevolgen

Hoewel uit de toetsing volgt dat de aanbevelingen breed toepasbaar zijn (>40.000 patiënten), volgt uit de toetsing dat het geen nieuwe manier van zorgverlening of andere organisatie van zorgverlening betreft, het geen toename in het aantal in te zetten voltijdsequivalenten aan zorgverleners betreft en het geen wijziging in het opleidingsniveau van zorgpersoneel betreft. Er worden daarom geen financiële gevolgen verwacht.

 

 

Lokale wondbehandeling bij UCV

Geen substantiële financiële gevolgen

Hoewel uit de toetsing volgt dat de aanbevelingen breed toepasbaar zijn (>40.000 patiënten), volgt uit de toetsing dat het geen nieuwe manier van zorgverlening of andere organisatie van zorgverlening betreft, het geen toename in het aantal in te zetten voltijdsequivalenten aan zorgverleners betreft en het geen wijziging in het opleidingsniveau van zorgpersoneel betreft. Er worden daarom geen financiële gevolgen verwacht.

Compressietherapie ter preventie van recidief UCV

Geen substantiële financiële gevolgen

Hoewel uit de toetsing volgt dat de aanbevelingen breed toepasbaar zijn (>40.000 patiënten), volgt uit de toetsing dat het geen nieuwe manier van zorgverlening of andere organisatie van zorgverlening betreft, het geen toename in het aantal in te zetten voltijdsequivalenten aan zorgverleners betreft en het geen wijziging in het opleidingsniveau van zorgpersoneel betreft. Er worden daarom geen financiële gevolgen verwacht.

Organisatie van zorg

Geen substantiële financiële gevolgen

Hoewel uit de toetsing volgt dat de aanbevelingen breed toepasbaar zijn (>40.000 patiënten), volgt uit de toetsing dat het geen nieuwe manier van zorgverlening of andere organisatie van zorgverlening betreft, het geen toename in het aantal in te zetten voltijdsequivalenten aan zorgverleners betreft en het geen wijziging in het opleidingsniveau van zorgpersoneel betreft. Er worden daarom geen financiële gevolgen verwacht.

Implementatie

In de verschillende fasen van de richtlijnontwikkeling is rekening gehouden met de implementatie van de richtlijn(module) en de praktische uitvoerbaarheid van de aanbevelingen. Daarbij is uitdrukkelijk gelet op factoren die de invoering van de richtlijn in de praktijk kunnen bevorderen of belemmeren. De richtlijn wordt via het internet verspreid onder alle relevante beroepsgroepen en ziekenhuizen en er zal in verschillende specifieke vaktijdschriften aandacht worden  besteed aan de richtlijn. Tevens zal een samenvatting worden gemaakt. De voorlichtingsfolder van de NVDV zal worden afgestemd op de richtlijn. Het volledige implementatieplan is opgenomen in het bijlagedocument.

Werkwijze

AGREE

Deze richtlijn is opgesteld conform de eisen vermeld in het rapport Medisch Specialistische Richtlijnen 2.0 van de adviescommissie Richtlijnen van de Raad Kwaliteit. Dit rapport is gebaseerd op het AGREE II instrument (Appraisal of Guidelines for Research & Evaluation II; Brouwers, 2010), dat een internationaal breed geaccepteerd instrument is. Onderstaand is de methode stapsgewijs beschreven.

 

Knelpuntenanalyse

In de voorbereidingsfase heeft een bijeenkomst plaatsgevonden waarvoor alle belanghebbenden zijn uitgenodigd. In deze bijeenkomst zijn knelpunten aangedragen door de werkgroepleden; NVDV, NHG, V&VN en Huid Nederland. Tevens werden uitgenodigd Zorgverzekeraars Nederland (ZN), Nederlandse Vereniging Ziekenhuizen (NVZ), Zorginstituut Nederland (ZiNL), Vereniging Innovatieve Geneesmiddelen (VIG) en de Nederlandse Federatie van Universitair Medische Centra (NFU).

 

Uitgangsvragen en uitkomstmaten

Op basis van de uitkomsten van de knelpuntenanalyse heeft de werkgroep uitgangsvragen opgesteld. Daarbij inventariseerde de werkgroep per uitgangsvraag welke uitkomstmaten voor de patiënt relevant zijn, waarbij zowel naar gewenste als ongewenste effecten werd gekeken. De werkgroep waardeerde deze uitkomstmaten volgens hun relatieve belang bij de besluitvorming rondom aanbevelingen, als cruciaal (kritiek voor de besluitvorming), belangrijk (maar niet cruciaal) en onbelangrijk. Tevens definieerde de werkgroep tenminste voor de cruciale uitkomstmaten welke verschillen zij klinisch (patiënt) relevant vonden.

 

Strategie voor zoeken en selecteren van literatuur

Voor de afzonderlijke uitgangsvragen werd aan de hand van specifieke zoektermen gezocht naar gepubliceerde wetenschappelijke studies in (verschillende) elektronische databases. Tevens werd aanvullend gezocht naar studies aan de hand van de literatuurlijsten van de geselecteerde artikelen en consultatie van experts. In eerste instantie werd gezocht naar studies met de hoogste mate van bewijs. Literatuur is geselecteerd op basis van vooraf opgestelde selectiecriteria. De geselecteerde artikelen werden gebruikt om de uitgangsvraag te beantwoorden. De databases waarin is gezocht, de zoekstrategie en de gehanteerde selectiecriteria zijn te vinden in bijlage 4.

 

Kwaliteitsbeoordeling individuele studies

Individuele studies werden systematisch beoordeeld, op basis van op voorhand opgestelde methodologische kwaliteitscriteria, om zo het risico op vertekende studieresultaten (risk of bias) te kunnen inschatten. Deze beoordelingen kunt u vinden in de Risk of Bias (RoB) tabellen. De gebruikte RoB instrumenten zijn gevalideerde instrumenten die worden aanbevolen door de Cochrane Collaboration: AMSTAR - voor systematische reviews; Cochrane - voor gerandomiseerd gecontroleerd onderzoek; Newcastle-Ottowa - voor observationeel onderzoek; QUADAS II – voor diagnostisch onderzoek.

 

Samenvatten van de literatuur

De relevante onderzoeksgegevens van alle geselecteerde artikelen zijn overzichtelijk weergegeven in evidencetabellen. De belangrijkste bevindingen uit de literatuur werden beschreven in de samenvatting van de literatuur. Bij een voldoende aantal studies en overeenkomstigheid (homogeniteit) tussen de studies werden de gegevens ook kwantitatief samengevat (meta-analyse) met behulp van Review Manager 5.

 

Beoordelen van de kracht van het wetenschappelijke bewijs (2021)

A) Voor interventievragen (vragen over therapie of screening)

De kracht van het wetenschappelijke bewijs werd bepaald volgens de GRADE-methode. GRADE staat voor ‘Grading Recommendations Assessment, Development and Evaluation’ (zie http://www.gradeworkinggroup.org/). GRADE onderscheidt vier gradaties voor de kwaliteit van het wetenschappelijk bewijs: hoog, redelijk, laag en zeer laag. Deze gradaties verwijzen naar de mate van zekerheid die er bestaat over de literatuurconclusie (Schünemann, 2013).

 

GRADE

Definitie

Hoog

 

  • er is hoge zekerheid dat het ware effect van behandeling dichtbij het geschatte effect van behandeling ligt zoals vermeld in de literatuurconclusie;
  • het is zeer onwaarschijnlijk dat de literatuurconclusie verandert wanneer er resultaten van nieuw grootschalig onderzoek aan de literatuuranalyse worden toegevoegd.

Redelijk

 

  • er is redelijke zekerheid dat het ware effect van behandeling dichtbij het geschatte effect van behandeling ligt zoals vermeld in de literatuurconclusie;
  • het is mogelijk dat de conclusie verandert wanneer er resultaten van nieuw grootschalig onderzoek aan de literatuuranalyse worden toegevoegd.

Laag

 

  • er is lage zekerheid dat het ware effect van behandeling dichtbij het geschatte effect van behandeling ligt zoals vermeld in de literatuurconclusie;
  • er is een reële kans dat de conclusie verandert wanneer er resultaten van nieuw grootschalig onderzoek aan de literatuuranalyse worden toegevoegd.

Zeer laag

 

  • er is zeer lage zekerheid dat het ware effect van behandeling dichtbij het geschatte effect van behandeling ligt zoals vermeld in de literatuurconclusie;
  • de literatuurconclusie is zeer onzeker.

 

B) Voor vragen over diagnostische tests, schade of bijwerkingen, etiologie en prognose

De kracht van het wetenschappelijke bewijs werd eveneens bepaald volgens de GRADE-methode: GRADE-diagnostiek voor diagnostische vragen (Schünemann, 2008) en een generieke GRADE-methode voor vragen over schade of bijwerkingen, etiologie en prognose. In de gehanteerde generieke GRADE-methode werden de basisprincipes van de GRADE methodiek toegepast: het benoemen en prioriteren van de klinisch (patiënt) relevante uitkomstmaten, een systematische review per uitkomstmaat, en een beoordeling van bewijskracht op basis van de vijf GRADE-criteria (startpunt hoog; downgraden voor risk of bias, inconsistentie, indirectheid, onnauwkeurigheid, en publicatiebias).

 

C) Voor vragen over de waarde van meet- of classificatie-instrumenten (klinimetrie)

Deze instrumenten werden beoordeeld op validiteit, intra- (test-hertest) en inter-beoordelaarsbetrouwbaarheid, responsiviteit (alleen bij meetinstrumenten) en bruikbaarheid in de praktijk. (naar keuze: optie-1 ‘Bij ontbreken van een gouden standaard, werd een beoordeling van de bewijskracht van literatuurconclusies achterwege gelaten.’ Of optie-2 ‘De kracht van het wetenschappelijk bewijs werd bepaald met de generieke GRADE-methode’).

De GRADE-criteria
In de tabel hieronder zijn de vijf GRADE-criteria nader toelicht.

Criterium

Toelichting

Risk of bias

Het risico op bias wordt beoordeeld per studie. Bij de gradering wordt

beoordeeld of het bewijs is verkregen uit studies met een laag dan wel hoog

risico op bias en welk aandeel deze studies hadden in de conclusie (power). 

Inconsistentie

Naarmate resultaten consistent met elkaar zijn, is het vertrouwen in het bewijs

groter. Het vertrouwen in het bewijs neemt af als er sprake is van

(onverklaarbare heterogeniteit). Er wordt gekeken naar de volgende vormen

van heterogeniteit:
- Klinische heterogeniteit
- Methodologische heterogeniteit
- Statistische heterogeniteit

Indirect bewijs

De uitgangspunten van het bewijs moeten zoveel mogelijk overeenkomen

met de vraagstelling. Wanneer dit niet het geval is, is er sprake van indirect

bewijs en is het vertrouwen in het bewijs kleiner.  Dit geldt ook wanneer er

geen directe vergelijking tussen de interventie en controle interventie is, maar

dit op indirecte wijzen moet worden afgeleid.

Onnauwkeurigheid

Wanneer de uitkomsten van de onderzoeksvraag zijn gebaseerd op een groot

aantal studiedeelnemers en de variantie rondom het gemiddelde effect klein

is, is er meer vertrouwen in het resultaat. Er wordt gekeken naar de volgende

punten:
- Steekproefgrootte middels Optimal Information Size (OIS) – berekend per vraag
- Betrouwbaarheidsinterval (BI): Het betrouwbaarheidsinterval dient de grenzen van klinische relevantie niet te overschrijden.

 

Er wordt afgewaardeerd in de volgende gevallen:
- Wanneer de OIS niet gehaald wordt
- Wanneer de OIS gehaald wordt maar geen klinisch relevant effect is

aangetoond

 

Er wordt niet afgewaardeerd wanneer de OIS gehaald wordt en het 95%-BI

voor de grenzen van een klinisch relevant effect ligt

Publicatiebias

Wanneer er aanwijzingen zijn dat er systematisch bewijs ontbreekt, wordt het

vertrouwen in het gevonden effect verlaagd.

 

Beoordelen van het niveau van het wetenschappelijke bewijs (oude modules)

Bij de EBRO-methode (Evidence Based Richtlijn Ontwikkeling) wordt een andere classificatie voor de beoordeling van de kwaliteit van studies aangehouden (van Everdingen 2004). Hierbij ligt de belangrijkheid van de uitkomstmaten niet van tevoren vast en is er geen vastgelegde procedure voor upgraden en downgraden van bewijs, zoals die bij GRADE geldt.

 

Kwaliteit

Interventie

Diagnostisch accuratesse-onderzoek

Schade/bijwerkingen*, etiologie, prognose

A1

Systematische review van ten minste twee onafhankelijk van elkaar uitgevoerde onderzoeken van A2-niveau

A2

Gerandomiseerd dubbelblind vergelijkend klinisch onderzoek van goede kwaliteit van voldoende omvang

Onderzoek ten opzichte van een referentietest (een ‘gouden standaard’) met tevoren gedefinieerde afkapwaarden en onafhankelijke beoordeling van de resultaten van test en gouden standaard, betreffende een voldoende grote serie van opeenvolgende patiënten die allen de index- en referentietest hebben gehad

Prospectief cohortonderzoek van voldoende omvang en follow-up, waarbij adequaat gecontroleerd is voor ‘confounding’ en selectieve follow-up voldoende is uitgesloten.

B

Vergelijkend onderzoek, maar niet met alle kenmerken als genoemd onder A2 (hieronder valt ook patiënt-controleonderzoek, cohortonderzoek)

 

 

C

Niet-vergelijkend onderzoek

D

Mening van deskundigen

* Deze classificatie is alleen van toepassing in situaties waarin om ethische of andere redenen gecontroleerde trials niet mogelijk zijn. Zijn die wel mogelijk dan geldt de classificatie voor interventies.

 

Bij het werken volgens de EBRO-methode zijn op basis van de beschikbare literatuur een of meerdere conclusies geformuleerd. Afhankelijk van het aantal onderzoeken en de mate van bewijs is een niveau van bewijskracht toegekend aan de conclusie (van Everdingen 2004).

 

Niveau

Conclusie gebaseerd op

1

Onderzoek van niveau A1 of ten minste 2 onafhankelijk van elkaar uitgevoerde onderzoeken van niveau A2

2

1 onderzoek van niveau A2 of ten minste 2 onafhankelijk van elkaar uitgevoerde onderzoeken van niveau B

3

1 onderzoek van niveau B of C

4

Mening van deskundigen

 

Formuleren van de conclusies

Voor elke relevante uitkomstmaat werd het wetenschappelijk bewijs samengevat in één of meerdere literatuurconclusies waarbij het niveau van bewijs werd bepaald volgens de GRADE-methodiek. De werkgroepleden maakten de balans op van elke interventie (overall conclusie). Bij het opmaken van de balans werden de gunstige en ongunstige effecten voor de patiënt afgewogen. De overkoepelende bewijskracht wordt bepaald door de laagste bewijskracht gevonden bij een van de cruciale uitkomstmaten. Bij complexe besluitvorming waarin naast de conclusies uit de systematische literatuuranalyse vele aanvullende argumenten (overwegingen) een rol spelen, werd afgezien van een overkoepelende conclusie. In dat geval werden de gunstige en ongunstige effecten van de interventies samen met alle aanvullende argumenten gewogen onder het kopje 'Overwegingen'.

 

Overwegingen (van bewijs naar aanbeveling)

Om te komen tot een aanbeveling zijn naast (de kwaliteit van) het wetenschappelijke bewijs ook andere aspecten belangrijk. Door gebruik te maken van de Guideline Development Tool werd het Evidence to decision framework conform GRADE methodiek toegepast. Alle werkgroepleden hebben systematisch antwoord gegeven op vragen over de grootte van het effect en grootte van negatieve consequenties, waarden en voorkeuren van de patiënt, kosten en kosteneffectiviteit, beschikbaarheid van voorzieningen, aanvaardbaarheid, en overwegingen voor subgroepen in de patiëntenpopulatie. Deze aspecten worden, voor zover geen onderdeel van de literatuursamenvatting, vermeld en beoordeeld (gewogen) onder het kopje ‘Overwegingen’.

 

Formuleren van aanbevelingen

De aanbevelingen geven antwoord op de uitgangsvraag en zijn gebaseerd op het beschikbare wetenschappelijke bewijs en de belangrijkste overwegingen, een weging van de gunstige en ongunstige effecten van de relevante interventies. De kracht van het wetenschappelijk bewijs en het gewicht dat door de werkgroep wordt toegekend aan de overwegingen, bepalen samen de sterkte van de aanbeveling. Conform de GRADE-methodiek sluit een lage bewijskracht van conclusies in de systematische literatuuranalyse een sterke aanbeveling niet a priori uit, en zijn bij een hoge bewijskracht ook zwakke aanbevelingen mogelijk. De sterkte van de aanbeveling wordt altijd bepaald door weging van alle relevante argumenten tezamen.

 

Randvoorwaarden (Organisatie van zorg)

In de knelpuntenanalyse en bij de ontwikkeling van de richtlijn is expliciet rekening gehouden met de organisatie van zorg: alle aspecten die randvoorwaardelijk zijn voor het verlenen van zorg (zoals coördinatie, communicatie, (financiële) middelen, menskracht en infrastructuur). Randvoorwaarden die relevant zijn voor het beantwoorden van een specifieke uitgangsvraag maken onderdeel uit van de overwegingen bij de bewuste uitgangsvraag. Meer algemene, overkoepelende, of bijkomende aspecten van de organisatie van zorg worden behandeld in de module Organisatie van zorg

 

Indicatorontwikkeling

Er werden geen indicatoren ontwikkeld voor deze richtlijn.

 

Kennislacunes

Tijdens de ontwikkeling van deze richtlijn is systematisch gezocht naar onderzoek waarvan de resultaten bijdragen aan een antwoord op de uitgangsvragen. Bij elke uitgangsvraag is door de werkgroep nagegaan of er (aanvullend) wetenschappelijk onderzoek gewenst is om de uitgangsvraag te kunnen beantwoorden. Een overzicht van de onderwerpen waarvoor (aanvullend) wetenschappelijk van belang wordt geacht, is als aanbeveling beschreven (zie bijlage 11).

 

Juridische betekenis van richtlijnen

Richtlijnen zijn geen wettelijke voorschriften maar wetenschappelijk onderbouwde en breed gedragen inzichten en aanbevelingen waaraan zorgverleners zouden moeten voldoen om kwalitatief goede zorg te verlenen. Aangezien richtlijnen uitgaan van ‘gemiddelde patiënten’, kunnen zorgverleners in individuele gevallen zo nodig afwijken van de aanbevelingen in de richtlijn. Afwijken van richtlijnen is, als de situatie van de patiënt dat vereist, soms zelfs noodzakelijk. Een richtlijn beschrijft wat goede zorg is, ongeacht de financieringsbron (Zorgverzekeringswet (Zvw), Wet langdurige zorg (Wlz), Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo), aanvullende verzekering of eigen betaling door de cliënt/patiënt). Opname van een richtlijn in een register betekent dus niet noodzakelijkerwijs dat de in de richtlijn beschreven zorg verzekerde zorg is. Informatie over kosten zoals beschreven in de richtlijn is gebaseerd op beschikbare gegevens ten tijde van schrijven.

 

Commentaar- en autorisatiefase

De conceptrichtlijn is aan de betrokken (wetenschappelijke) verenigingen, (patiënt) organisaties en stakeholders voorgelegd ter commentaar. De commentaren zijn  verzameld en besproken met de werkgroep. Naar aanleiding van de commentaren is de conceptrichtlijn aangepast en definitief vastgesteld door de werkgroep. De definitieve richtlijn is aan de deelnemende (wetenschappelijke) verenigingen en (patiënt) organisaties voorgelegd ter autorisatie.

 

Autorisatie

De richtlijn is geautoriseerd door: Nederlandse Vereniging voor Dermatologie en Venereologie (NVDV), Nederlandse Vereniging voor Heelkunde (NVVH), Nederlandse Vereniging voor Radiologie (NVVR), Nederlandse Vereniging Huidtherapeuten (NVH), Verpleegkundigen & Verzorgenden Nederland (V&VN), Nederlandse Associatie Physician Assistants (NAPA), Nederlands Vereniging Compressie Zorg (NVCZ), Huid Nederland, Harteraad en de Patiëntenfederatie Nederland op 13-10-2023.

Literatuur
  • Brouwers MC, Kho ME, Browman GP, et al. AGREE Next Steps Consortium. AGREE II: advancing guideline development, reporting and evaluation in health care. CMAJ. 2010;182(18):E839-42. doi: 10.1503/cmaj.090449. Epub 2010 Jul 5. Review. PubMed PMID: 20603348.
  • Higgins JPT, Green S (editors). Cochrane Handbook for Systematic Reviews of Interventions Version 5.1.0 [updated March 2011]. The Cochrane Collaboration, 2011. Available from www.handbook.cochrane.org.
  • Medisch Specialistische Richtlijnen 2.0 (2012). Adviescommissie Richtlijnen van de Raad Kwalitieit.. Online beschikbaar op http://richtlijnendatabase.nl/ Laatst geraadpleegd op [DATUM geraadpleegd voor concepttekst]
  • Van Everdingen JJE, Burgers JS, Assendelft WJJ, et al. Evidence-based richtlijnontwikkeling. Bohn Stafleu Van Loghum 2004.
  • Schünemann H, Brożek J, Guyatt G, et al. GRADE handbook for grading quality of evidence and strength of recommendations. Updated October 2013. The GRADE Working Group, 2013. Available from http://gdt.guidelinedevelopment.org/central_prod/_design/client/handbook/handbook.html

Zoekverantwoording

Zoekacties zijn opvraagbaar. Neem hiervoor contact op met de Richtlijnendatabase.

Volgende:
UCV - orale medicatie