Diagnostiek en behandeling COPD-longaanval in het ziekenhuis

Initiatief: LAN / NVALT Aantal modules: 13

Monitoring ziekenhuisopname/-ontslag bij COPD

Uitgangsvraag

Wat is de meest verantwoorde en doelmatige procedure van ontslag uit het ziekenhuis voor patiënten die zijn opgenomen met een COPD-longaanval?

Aanbeveling

De werkgroep stelt de volgende aanpak voor ten aanzien van de monitoring van de COPD-longaanval:

  • monitoring volgens de Modified Early Warning Score (MEWS ) drie keer daags;
  • aanvullende monitoring van respiratoire symptomen:
    • cyanose;
    • sputumproductie, kleur en consistentie;
    • 24-uurs CCQ.
  • overweeg bij toename van klachten verder onderzoek in de vorm van X-thorax, arteriële bloedgas en / of algemeen bloedonderzoek;
  • overweeg een sputumkweek bij toenemende verkleuring of hoeveelheid van het sputum of geen reactie op het antibioticabeleid .
  • controleer de bloedsuiker bij patiënten met systemisch gebruik van corticosteroïden op de volgende wijze:
    • bij patiënten zonder pre-existente diabetes mellitus: controleer twee keer per week de bloedsuikerwaarde na de maaltijd (lunch/avondeten) door middel van 2-puntscurve, in ieder geval binnen de eerste 48 uur na opname;
    • bij patiënten met diabetes mellitus: 4-punts dagcurve aanvragen en overweeg internist in consult.
  • monitor dagelijks saturatie bij toediening van zuurstof (indien meer dan in de thuissituatie), en streef naar snelle afbouw van zuurstof tot het niveau zoals dat was voor de opname. Overweeg in dat geval voor ontslag een bloedgascontrole;
  • monitor comorbiditeiten tijdens opname; zij kunnen immers ontregeld worden, monitor deze en schakel tijdig andere specialismen, in indien nodig.

 

De werkgroep beveelt sterk aan om naast de gebruikelijke medische monitoring tijdens de ziekenhuisopname ook monitoring van de volgende zaken toe te passen:

  • HADS, overweeg bij een verhoogde score het inschakelen van het specialisme medische psychologie;
  • delier(DOT) op indicatie;
  • voedingstoestand (MUST);
  • slaapkwaliteit;
  • rookgedrag en overweeg nicotinevervangers bij ontwenningsverschijnselen
  • mobiliteit, deze is uit te drukken in 4 categorieën:
    • bedlegerig;
    • bed / stoel;
    • bed / toilet-badkamer;
    • volledig mobiel waaronder lopen over de gang.

 

 

Bespreek de volgende criteria nauwkeurig met de patiënt en mantelzorg ter voorkoming van problemen die kunnen leiden tot heropname:

  • herstel van de klachten waarmee de patiënt is opgenomen;
  • de thuissituatie;
  • de chronische zorg en medische controle na ontslag.

 

Gebruik de onderstaande criteria als handvat bij het bepalen van het moment van ontslag:

  • laatste etmaal klinisch stabiel;
  • laatste etmaal goede O2-saturatie, of een vergelijkbare saturatie met die van voor de opname;
  • gezamenlijk opgesteld individueel zorgplan (IZP) inclusief longaanval actieplan (LAP), op schrift mee te geven;
  • eigen longmedicatie wordt op de juiste manier ingenomen en belang wordt begrepen;
  • mobiel op de kamer, en bewegingsmogelijkheden na opname geïnventariseerd;
  • stoppen met roken besproken (indien van toepassing);
  • wenselijkheid van extra zuurstof buiten ziekenhuis gecheckt;
  • indicatie voor de verschillende vormen van longrevalidatie overwogen;
  • eerste aanspreekpunt is aangewezen voor patiënt en naaste(n);
  • goede transmurale overdracht is geregeld (huisarts/POH, thuiszorg, en/of andere zorginstantie) De medicatie overdracht is gewaarborgd. De overdracht is uiterlijk 24 uur na ontslag bij de huisarts;
  • voldoende vertrouwen bij patiënt en naaste(n); ontslag in overleg;
  • verwachtingen omtrent de opname zijn geëvalueerd én de prognose nabije toekomst afgestemd (agendeer advance care planning). Afspraken over advance care planning worden bij voorkeur in de stabiele fase besproken met patiënt en familie en vastgelegd in het dossier van de longarts en gecommuniceerd met de huisarts;
  • indien er besloten wordt, in overleg met patiënt en familie, dat er geen opname meer plaatsvindt dan wordt dit vastgelegd in het dossier van het ziekenhuis, de huisarts en de huisartsenpost;
  • controles na ontslag conform het zorgpad.

Overwegingen

Monitoring

“Een longaanval bij COPD is een acute gebeurtenis die wordt gekenmerkt door een verslechtering van respiratoire symptomen”. Dit gedeelte uit de definitie van GOLD van een COPD-longaanval vormt de basis van de module over monitoring en ontslag. De werkgroep heeft gezocht naar een pragmatische aanpak om een patiënt met een duidelijke toename van klachten te volgen naar een meer stabiele situatie die geschikt is voor ontslag. Belangrijk is het in kaart brengen van de mogelijke oorzaak van de longaanval. Ook bijdragende comorbiditeiten, pneumonie, longembolie of een cardiale oorzaak vragen allen om een andere aanpak en ook andere monitoring. Bij toenemende respiratoire insufficiëntie wordt verwezen naar de richtlijn Non-invasieve beademing bij COPD (NVALT, 2013). Het gaat te ver om alle mogelijke oorzaken en bijpassende monitoringcriteria te noemen.

 

De werkgroep stelt de volgende aanpak voor ten aanzien van de monitoring van de COPD-longaanval:

  • de monitoring volgens de Modified Early Warning Score (MEWS) drie keer daags (Subbe, 2001);
  • aanvullende monitoring van respiratoire symptomen:
    • cyanose;
    • sputumproductie, kleur en consistentie;
    • 24-uurs CCQ.
  • overweeg bij toename van klachten verder onderzoek in de vorm van X-thorax, arteriële bloedgas en / of algemeen bloedonderzoek;
  • overweeg een sputumkweek bij toenemende verkleuring of hoeveelheid van het sputum of geen reactie op het antibioticabeleid;
    • bij patiënten met diabetes mellitus: 4-punts dagcurve aanvragen en overweeg internist in consult.
    • bij patiënten zonder pre-existente diabetes mellitus: controleer twee keer per week de bloedsuikerwaarde na de maaltijd (lunch/avondeten) door middel van 2-puntscurve, in ieder geval binnen de eerste 48 uur na opname;
  • monitor dagelijks saturatie bij toediening van zuurstof (indien meer dan in de thuissituatie), en streef naar snelle afbouw van zuurstof tot het niveau zoals dat was voor de opname. Overweeg in dat geval voor ontslag een bloedgascontrole;
  • monitor comorbiditeiten tijdens opname; zij kunnen immers ontregeld worden, monitor deze en schakel tijdig andere specialismen, in indien nodig.
    controleer de bloedsuiker bij patiënten met systemisch gebruik van corticosteroïden op de volgende wijze:

 

Tijdens een ziekenhuisopname vanwege een COPD-longaanval zullen patiënten naast longaanval-specifieke klachten ook een verlies hebben van mobiliteit, gemoedstoestand en kwaliteit van leven. Daarom beveelt de werkgroep sterk aan om naast de gebruikelijke medische monitoring tijdens de ziekenhuisopname ook monitoring van de volgende zaken toe te passen:

  • HADS vragenlijst, overweeg bij een verhoogde score het inschakelen van het specialisme medische psychologie;
  • delier(DOT) op indicatie;
  • voedingstoestand (MUST);
  • slaapkwaliteit;
  • rookgedrag en overweeg nicotinevervangers bij ontwenningsverschijnselen
  • mobiliteit, deze is uit te drukken in vier categorieën:
    • bedlegerig;
    • bed / stoel;
    • bed / toilet-badkamer;
    • volledig mobiel waaronder lopen over de gang.
  • controle van juist gebruik van de eigen longmedicatie en bespreking van compliance.

 

Ontslag

(De aanloop naar) het ontslag begint op de tweede dag van de opname. Tijdens de opname zal er in een vroeg stadium aandacht moeten zijn voor de thuissituatie. Daarnaast moet er een goede analyse plaatsvinden van de ziekte gerelateerde kennis, kunde en leefregels van de patiënt (tijdens en voor de opname ). De opname is een leermoment voor de patiënt, zijn omgeving en zorgverlener. Deze zaken worden besproken tijdens de opname en bij het vaststellen van de ontslagcriteria.

 

Het ontslag uit het ziekenhuis na een COPD-longaanval is een belangrijke transitie van een omgeving met 24 uur zorg (het ziekenhuis) naar de een omgeving met minder zorg (de thuissituatie).

 

Het is erg belangrijk om een aantal criteria nauwkeurig te bespreken met de patiënt en mantelzorg ter voorkoming van problemen die kunnen leiden tot heropname. Het moment van ontslag kan worden bepaald op basis van de volgende criteria[1]:

  • laatste etmaal klinisch stabiel;
  • laatste etmaal goede O2-saturatie, of een vergelijkbare saturatie met die van voor de opname;
  • gezamenlijk opgesteld individueel zorgplan (IZP) inclusief longaanval actieplan (LAP), op schrift mee te geven;
  • eigen longmedicatie wordt op de juiste manier ingenomen en belang wordt begrepen;
  • mobiel op de kamer, en bewegingsmogelijkheden na opname geïnventariseerd;
  • stoppen met roken besproken (indien van toepassing);
  • wenselijkheid van extra zuurstof buiten ziekenhuis gecheckt;
  • indicatie voor de verschillende vormen van longrevalidatie overwogen;
  • eerste aanspreekpunt is aangewezen voor patiënt en naaste(n);
  • goede transmurale overdracht is geregeld (huisarts/POH, thuiszorg, en/of andere zorginstantie) De medicatie overdracht is gewaarborgd. De overdracht is uiterlijk 24 uur na ontslag bij de huisarts;
  • voldoende vertrouwen bij patiënt en naaste(n); ontslag in overleg;
  • verwachtingen omtrent de opname zijn geëvalueerd én de prognose nabije toekomst afgestemd (agendeer advance care planning). Afspraken over advance care planning worden bij voorkeur in de stabiele fase besproken met patiënt en familie en vastgelegd in het dossier van de longarts en gecommuniceerd met de huisarts;
  • indien er besloten wordt, in overleg met patiënt en familie, dat er geen opname meer plaatsvindt dan wordt dit vastgelegd in het dossier van het ziekenhuis, de huisarts en de huisartsenpost;
  • controles na ontslag conform het zorgpad.

 

Monitoring na ontslag en transmurale afspraken

Een ziekenhuisopname vanwege een COPD-longaanval is een complexe gebeurtenis waarin veel verschillende hulpverleners verantwoordelijk zijn voor verschillende zorgdomeinen. Om dit proces goed te laten verlopen is het belangrijk dat er gewerkt wordt volgens het landelijk zorgpad COPD-longaanval met ziekenhuisopname. In het zorgpad worden alle activiteiten per dag beschreven, zowel de aard als de inhoud hiervan. In het zorgpad ligt de nadruk op de continuïteit van zorg en beschrijft naast het proces tijdens de opname ook de activiteiten na ontslag in de thuissituatie. Het is belangrijk om een zorgcoördinator te benoemen die verantwoordelijk is voor de volgende zaken:

  • fungeert als eerste aanspreekpunt voor de patiënt;
  • is de zorgverlener die alle taken , afspraken en acties van zorgverleners binnen een multidisciplinair samenwerkingsverband coördineert en op elkaar afstemt;
  • draagt expliciet bij aan de communicatie tussen de zorgverleners en patiënt gedurende het gehele zorgproces, met name tijdens overdrachtsmomenten;
  • neemt de verantwoordelijkheid wanneer zaken niet verlopen als gepland.

 

Hoewel dit formeel wel kan, is dit meestal niet de eindverantwoordelijke voor de behandeling van een patiënt (de hoofdbehandelaar).

 

Voor de gedetailleerde uitwerking van het zorgpad verwijst de werkgroep naar het zorgpad. De schematische weergave van het zorgpad staat in de Time Task Matrix (zie https://www.longalliantie.nl/projecten/landelijk-zorgpad-longaanval/)



[1] Deze criteria zijn overeenkomstig met de criteria zoals beschreven in het landelijk zorgpad COPD-longaanval met ziekenhuisopname.

Onderbouwing

Een ziekenhuisopname voor een COPD-longaanval kent verschillende oorzaken en verschijningsvormen. Een goede, gestructureerde, monitoring is dan ook belangrijk tijdens de opname, waarbij er aandacht is voor de individuele patiënten problematiek. De zorg kan op deze manier aangepast worden op de veranderde situatie en adequaat worden afgestemd op de specifieke behoeftes van de patiënt en zijn of haar omgeving. Op deze manier kan worden nagestreefd om een patiënt niet te vroeg maar ook niet te laat uit het ziekenhuis te ontslaan. Kwaliteit van zorg staat hierbij voorop.

 

Ook de zorg na ontslag uit het ziekenhuis is belangrijk. In de eerste fase na ontslag, 12 weken, is de patiënt extra kwetsbaar waardoor het risico op meer medische consumptie en eventueel heropname groter is. Hier is ook de monitoring essentieel maar ook de samenwerking tussen verschillende zorgverleners in de eerste- en tweede lijn.

 

De werkgroep heeft ervoor gekozen om de onderwerpen monitoring- en ontslagcriteria samen te voegen tot één uitgangsvraag. Deze keuze is gemaakt omdat er een sterke overlap tussen beide onderwerpen is, monitoring leidt uiteindelijk tot de beslissing om een patiënt te ontslaan uit het ziekenhuis.

In de GOLD richtlijnen (2016) worden monitor- en ontslagcriteria benoemd gebaseerd op expert opinion. De werkgroep heeft op basis hiervan een aantal monitor- en ontslagcriteria opgesteld. Er wordt in deze module frequent verwezen naar het landelijk zorgpad COPD-longaanval met ziekenhuisopname.

Bij deze uitgangsvraag is een algemene literatuursearch uitgevoerd in de databases Medline (OVID), Embase en de Cochrane Library. Er is gezocht naar prognostische voorspellende klinische variabelen van mortaliteit bij patiënten met een opname vanwege een COPD-longaanval. De zoekverantwoording is weergegeven onder het tabblad Verantwoording. De literatuurzoekactie leverde 615 treffers op. Er werden geen studies gevonden die direct relevant waren voor de beantwoording van de uitgangsvraag. De uitwerking van deze uitgangsvraag is daarom voornamelijk gebaseerd BTS/NICE Guideline (NICE, 2010), de GOLD Guideline (2016), landelijk zorgpad COPD-longaanval met ziekenhuisopname en de expert opinion van de werkgroep, zoals beschreven onder het tabblad overwegingen.

  1. Global Initiative for Chronic Obstructive Lung Disease (GOLD). Global Strategy for Diagnosis, Management, and Prevention of COPD – 2016.
  2. Longalliantie Nederland. Landelijk zorgpad COPD-longaanval met ziekenhuisopname. 2016.
  3. Nederlandse Vereniging van Artsen voor Longziekten en Tuberculose. Richtlijn Non-invasieve beademing tijdens acute respiratoire insufficiëntie bij COPD. 2013.
  4. NICE Chronic obstructive pulmonary disease in over 16s: diagnosis and management (CG101). Clinical guideline. Published: 23 June 2010.
  5. Subbe CP, Kruger M, Rutherford P, Gemmel L. Validation of a modified Early Warning Score in medical admissions. QJM. 2001 Oct;94(10):521-6.

Autorisatiedatum en geldigheid

Laatst beoordeeld  : 01-01-2017

Laatst geautoriseerd  : 13-04-2017

Geplande herbeoordeling  :

De richtlijnwerkgroep heeft als doel de richtlijn periodiek (digitaal) van updates te voorzien.

 

De NVALT en LAN zijn als houder van deze richtlijn de eerstverantwoordelijken voor de actualiteit van deze richtlijn. De andere aan deze richtlijn deelnemende wetenschappelijke verenigingen of gebruikers van de richtlijn delen de verantwoordelijkheid en informeren de eerstverantwoordelijken over relevante ontwikkelingen binnen hun vakgebied.

 

De KNMP heeft als lid van de LAN afgezien van autorisatie om inhoudelijke en procesmatige redenen. Het LAN bestuur, inclusief de overige leden van de LAN, hebben de richtlijn geautoriseerd. KNMP heeft bijgedragen als reviewer.

Initiatief en autorisatie

Initiatief:
  • Long Alliantie Nederland
  • Nederlandse Vereniging van Artsen voor Longziekten en Tuberculose
Geautoriseerd door:
  • Nederlandse Vereniging van Artsen voor Longziekten en Tuberculose
  • Long Alliantie Nederland

Algemene gegevens

De conceptrichtlijn werd aan de betrokken (wetenschappelijke) verenigingen voorgelegd voor commentaar. De commentaren werden verzameld en besproken met de werkgroep. Naar aanleiding van de commentaren werd de conceptrichtlijn aangepast en definitief vastgesteld door de werkgroep. De definitieve richtlijn werd aan de betrokken (wetenschappelijke) verenigingen voorgelegd voor autorisatie en door hen geautoriseerd.

 

In samenwerking met:

Nederlandse Vereniging van Artsen voor Longziekten en Tuberculose (NVALT)

Long Alliantie Nederland (LAN)

Nederlandse Vereniging voor Intensive Care (NVIC)                                      

Nederlandse Vereniging van Diëtisten (NVD)                                                   

Nederlands Instituut van Psychologen (NIP)                                                     

Koninklijk Nederlands Genootschap voor Fysiotherapie (KNGF)

Verpleegkundigen & Verzorgenden Nederland (V&VN)

Longfonds

 

De richtlijnontwikkeling werd gefinancierd uit de Kwaliteitsgelden Medisch Specialisten (SKMS).

Doel en doelgroep

Doel van de richtlijn

In deze richtlijn worden aanbevelingen gedaan over de indicatiestelling van opname, het diagnostisch traject, de medicamenteuze en niet medicamenteuze behandeling tijdens ziekenhuisopname na COPD-longaanval, inclusief criteria voor monitoring en ontslag. Hiermee wordt een bijdrage geleverd aan een meer eenduidige, doelgerichte behandeling van patiënten met een COPD-longaanval in het ziekenhuis.

 

Beoogde gebruikers van de richtlijn

Deze richtlijn is geschreven voor alle leden van de beroepsgroepen die betrokken zijn bij de zorg voor patiënten met COPD en een longaanval die klinisch moeten worden behandeld. De gebruikers van de richtlijn (en het zorgpad) betreffen dan ook naast de longartsen veel andere medische beroepsgroepen zoals intensivisten, specialisten ouderengeneeskunde, huisartsen, longfunctieanalisten, verpleegkundigen (waaronder verpleegkundig specialisten en longverpleegkundigen), ziekenhuisapothekers, psychologen, fysiotherapeuten, diëtisten en ergotherapeuten.

Samenstelling werkgroep

Voor het ontwikkelen van de richtlijn is in 2014 een multidisciplinaire werkgroep ingesteld, bestaande uit vertegenwoordigers van alle relevante specialismen die betrokken zijn bij de zorg voor patiënten gedurende een ziekenhuisopname na een COPD-longaanval (zie hieronder). De werkgroepleden zijn door hun wetenschappelijke verenigingen gemandateerd voor deelname. De werkgroep werkte gedurende twee jaar aan de totstandkoming van de richtlijn. De werkgroep is verantwoordelijk voor de integrale tekst van deze richtlijn.

  • dr. F.J.J. van den Elshout (voorzitter), longarts, NVALT
  • W.J.M. van Litsenburg (vicevoorzitter), verpleegkundig specialist, LAN/V&VN
  • prof. Dr. H.A.M. Kerstjens, longarts, NVALT
  • drs. P. L. Salomé, huisarts, COPD & Astma Huisartsen Advies Groep NHG
  • drs. M.L.J. Scheer, longarts-intensivist, NVIC
  • drs. R. van Snippenburg, longarts, NVALT
  • dr. M. A. Spruit, fysiotherapeut, KNGF
  • M.P.G. Stegers MSc, diëtist, NVD
  • P.E.M. Fikkers-Mol MANP, verpleegkundig specialist, V&VN
  • dr. J.N. de Voogd, psycholoog, NIP
  • dr. S. Holverda, Longfonds (voorheen Astma Fonds)

 

Met ondersteuning van:

  • P.H. Broos MSc, senior adviseur, Kennisinstituut van Medisch Specialisten
  • dr. B.H. Stegeman, adviseur, Kennisinstituut van Medisch Specialisten

 

Met dank aan:

  • drs. L. Sekhuis, LAN

Belangenverklaringen

De werkgroepleden hebben schriftelijk verklaard of ze in de laatste vijf jaar een (financieel ondersteunde) betrekking onderhielden met commerciële bedrijven, organisaties of instellingen die in verband staan met het onderwerp van de richtlijn.

 

Werkgroeplid

Functie

Nevenfuncties

Persoonlijke financiele belangen

Persoonslijke relaties

Reputatiemanagement

Extern gefinancierd onderzoek

Kennisvalorisatie

Overige belangen

Getekend

De Voogd

gezondheidszorg psycholoog CvR UMCG

geen

geen

geen

geen

geen

geen

geen

19-nov-15

Fikkers-Mol

verpleegkundig specialist ziekenhuis Rijnstaete.

alg. bestuurslid V&VN Longverpleegkundigen. Hier houd ik me, naast de reguliere bestuurstaken, vooral ook bezig met de scholingen. Hievoor ontvang ik vacatiegeld.
Voorzitter van de taakgroep OSAS van de V&VN Longverpleegkundigen. Deze taakgroep houdt zich bezig met het organiseren van scholingen, profileren, netwerken t.b.v. OSAS-verpleegkundigen (en vpk.specialisten). Vacatiegeld voor de vergaderingen. Gastdocent van de hogeschool Utrecht. Het geven van lessen tbv de opleiding post HBO longverpleegkunde en post HBO palliatieve zorg. Betaald.
Gastdocent UMC Utrecht. Het geven van lessen tbv module palliatieve zorg. Betaald.
Gastdocent HAN Nijmegen. Het geven van lessen t.b..v opleiding voor POH. Betaald.

geen

geen

geen

geen

geen

geen

25-sep-14

Kerstjens

hoogleeraar en afdelingshoofd, afd. Longziekten en Tuberculose, Universitair Medisch Centrum Groningen

tot 29-9-2014 secretaris bestuur Long Alliantie Nederland (onbetaald).Voorzitter Nordelijke CARA Stichting (onbetaald)

geen PERSOONLIJK fin. Belang; betaling naar UMCG; over afgelopen 5 jaar ad hoc lid adviescommissie /adviseur/spreker voor verschillende farmaceutische bedrijven (Almiral, Astra Zeneca, Boehringer, Chiesi, GlaxoSmithKline, Novartis, Pfizer, Takeda)

geen PERSOONLIJK fin. Belang; betaling naar UMCG; over afgelopen 5 jaar ad hoc lid adviescommissie /adviseur/spreker voor verschillende farmaceutische bedrijven (Almiral, Astra Zeneca, Boehringer, Chiesi, GlaxoSmithKline, Novartis, Pfizer, Takeda)

 

over de afgelopen 5 jaar deelname aan onderzoek gefinancierd door overheid, astmafonds/longfonds. AstraZeneca, Boehringer, GlaxoSmithKline, Novartis, Pfizer, Takeda

geen

geen

19-sep-14

Salomé

huisarts
co voorzitter LAN werkgroep Reductie opnamedagen betr. longaanvallen COPD

kernlid CAHAG
huisarts, kwaliteitsadviseur huisartstencoöperatie Preventieve zorg

geen

geen

geen

geen

geen

geen

2-okt-14

Scheer

longarts -intensivist. Volledig werkzaam op de IC in de functie van intensivist

EMS B instructeur (onbetaald)

geen

geen

geen

geen

geen

geen

ja 8 jan 2015

Spruit

wetenschappelijk adviseur CIRO + te Horn (NL)

Gastprofessor in Hassels University te Hasselt (B) - betaald

geen

geen

geen

geen

werkzaam bij het CIRO+, alwaar longrevalidatie wordt aangeboden als zorgproduct. Verwijzing naar longrevalidatie kan een mogelijk resultaat zijn van de commisie.

geen

ja 18 sept 2014

Stegers

dietist in CWZ

geen

geen

geen

ik ben lid van de NVD, maar participerend lid. Vanuit de NVD ook gevraagd voor deze richtlijn.

2011-2013 meegedaan aan onderzoek Zicht op gewicht via Medizorg B.V. Gegevens zijn verzameld, resultaten moet nog gepresenteerd worden.

geen

geen

25-sep-14

Van den Elshout

longarts Rijnstate Ziekenhuis Arnhem (fulltime) voorzitter richtijn commissie

lid centraal tuchtcollege Den Haag; vacatiegelden komen ten goede aan de maatschap longartsen

geen

geen

geen

educational Grant GSK voor promovendus

geen

geen

6-okt-14

Van Litsenburg

verpleegkundig specialist longgeneeskunde

Lid kernteam PICASSO
Docent VDO HAN
IMIS trainer
Adhoc activiteiten zoals geven van workshops of voorzitterrol congressen

geen

geen

geen

geen

geen

geen

ja, 3 dec 2014

Van Snippenburg

longarts

vz MCC Diakonessenhuis Utrecht (onbetaald)
Lid commissie IFMS Diakonessenhuis (onbetaald)
Lid werkgroep COPD huisartsen stadsmaatschap utrecht (betaald)
consultatie en nascholing COPD huisartsenzorg prevent (betaald)
caspir cursussen WDH middennederland (betaald)
werkgroeplid transmuraal zorgpad longaanval LAN (betaald)
Div. nascholingen voor longverpleegkundigen, huisartsen en longartsen op ad hoc bais (betaald en onbetaald) soms voor firma's maar ook voor beroepsverenigingen:
Chiesis, Novartis, Astra, Boehringer, Takeda, GSK

geen

geen

lid werkgroep COPD vd NVALT. Lid werkgroep Transmuraal Zorgpad Longaanval LAN.
Voorzitter MCC Diakonessenhuis Utrecht.

in afrondende fase van Liaison studie (in opdracht van Chisi) astma survey studie

samen met patient een DVD geproduceerd over Bewegen bij COPD voor patieten. Sponsoring door GSK, eenmalig en Swieringa Stichting eenmalig. Auteursrechten van deze DVD liggen bij van der Colk BV. DVD is gratis verstrekt aan zorgverleners tbv patiënten en rechtstreeks aan patiënten. Zolang de voorraad strekt.

geen

20-okt-14

Vercoulen

Klinisch Psycholoog/sectieleider Medische Psychologie Volwassenen en Ouderen, Radboudumc

geen

geen

geen

geen

geen

geen

geen

ja 23 feb 2015

Inbreng patiëntenperspectief

Er werd aandacht besteed aan het patiëntenperspectief door middel van vertegenwoordiging van het Longfonds in de werkgroep. Daarnaast heeft de Longfonds de conceptrichtlijn beoordeeld tijdens de commentaarfase en suggesties voor verbetering van de richtlijn gegeven.

Methode ontwikkeling

Evidence based

Implementatie

In de verschillende fasen van de richtlijnontwikkeling is rekening gehouden met de implementatie van de richtlijn en de praktische uitvoerbaarheid van de aanbevelingen. Daarbij is uitdrukkelijk gelet op factoren die de invoering van de richtlijn in de praktijk kunnen bevorderen of belemmeren.

 

De richtlijn wordt opgenomen in de richtlijnendatabase (www.richtlijnendatabase.nl) waarmee hij toegankelijk is voor alle relevante beroepsgroepen en patiënten. Daarnaast wordt er een samenvatting van de richtlijn gepubliceerd in tijdschriften van de deelnemende wetenschappelijke verenigingen. Ook is de richtlijn te downloaden vanaf de website van betrokken wetenschappelijke verenigingen en de Long Alliantie Nederland.

Werkwijze

AGREE II

Deze richtlijn is opgesteld conform de eisen in het rapport ‘Richtlijnen 2.0’ van de adviescommissie Richtlijnen van de Raad kwaliteit van de Orde van Medisch Specialisten. Dit rapport is gebaseerd op het AGREE II instrument (Appraisal of Guidelines for Research & Evaluation II) (www.agreetrust.org), dat een internationaal breed geaccepteerd instrument is voor de beoordeling van de kwaliteit van richtlijnen.

 

Knelpuntenanalyse

In de eerste fase werden de knelpunten geïnventariseerd. Tevens is gebruikt gemaakt van de knelpuntenanalyse bij de ontwikkeling van het landelijk zorgpad COPD-longaanval met ziekenhuisopname dat parallel aan deze richtlijn is ontwikkeld.

 

Uitgangsvragen en uitkomstmaten

Op basis van de uitkomsten van de knelpuntenanalyse zijn door de voorzitter en de adviseur concept-uitgangsvragen opgesteld. Deze zijn vervolgens verder uitgewerkt door de leden van de werkgroep en tijdens de werkgroepvergadering vastgesteld. Vervolgens inventariseerde de werkgroep per uitgangsvraag welke uitkomstmaten voor de patiënt relevant zijn, waarbij zowel naar gewenste als ongewenste effecten werd gekeken. De werkgroep waardeerde deze uitkomstmaten volgens hun relatieve belang als kritiek, belangrijk en onbelangrijk. Tevens definieerde de werkgroep, voor zover mogelijk, wat zij voor een bepaalde uitkomstmaat een klinisch relevant verschil vond, dat wil zeggen wanneer de verbetering in uitkomst een verbetering voor de patiënt is.

 

Strategie voor zoeken en selecteren van literatuur

Er werd eerst oriënterend gezocht naar bestaande buitenlandse richtlijnen en naar systematische reviews in Medline (OVID) en Cochrane Library. Vervolgens werd voor de afzonderlijke uitgangsvragen aan de hand van specifieke zoektermen gezocht naar gepubliceerde wetenschappelijke studies in (verschillende) elektronische databases. Tevens werd aanvullend gezocht naar studies aan de hand van de literatuurlijsten van de geselecteerde artikelen. In eerste instantie werd gezocht naar studies met de hoogste mate van bewijs. De werkgroepleden selecteerden de via de zoekactie gevonden artikelen op basis van vooraf opgestelde selectiecriteria. De geselecteerde artikelen werden gebruikt om de uitgangsvraag te beantwoorden. De databases waarin is gezocht, de zoekactie of gebruikte trefwoorden van de zoekactie en de gehanteerde selectiecriteria zijn te vinden in de module van de desbetreffende uitgangsvraag. De gedetailleerde zoekstrategieën zijn vermeld per module.

 

Kwaliteitsbeoordeling individuele studies

Individuele studies werden systematisch beoordeeld, op basis van op voorhand opgestelde methodologische kwaliteitscriteria, om zo het risico op vertekende studieresultaten (bias) te kunnen inschatten. Deze beoordelingen kunt u vinden in de kolom ‘Beoordeling kwaliteit studie’ van een evidence-tabel.

 

Samenvatten van de literatuur

De relevante onderzoeksgegevens van alle geselecteerde artikelen werden overzichtelijk weergegeven in evidence-tabellen. De belangrijkste bevindingen uit de literatuur werden beschreven in de samenvatting van de literatuur.

 

Beoordelen van de kracht van het wetenschappelijke bewijs

A) Voor interventievragen

De kracht van het wetenschappelijke bewijs werd bepaald volgens de GRADE-methode. GRADE staat voor Grading Recommendations Assessment, Development and Evaluation (zie http://gdt.guidelinedevelopment.org/app/handbook/handbook.html).

 

GRADE

Definitie

Hoog

  • het is zeer onwaarschijnlijk dat de literatuurconclusie verandert als er verder onderzoek wordt gedaan;
  • er is veel vertrouwen dat het ware effect van behandeling dichtbij het geschatte effect van behandeling ligt zoals vermeld in de literatuurconclusie;

Matig

  • het is mogelijk dat de conclusie verandert als er verder onderzoek wordt gedaan;
  • er is matig vertrouwen dat het ware effect van behandeling dichtbij het geschatte effect van behandeling ligt zoals vermeld in de literatuurconclusie.

Laag

  • het is waarschijnlijk dat de conclusie verandert als er verder onderzoek wordt gedaan;
  • er is beperkt vertrouwen dat het ware effect van behandeling dichtbij het geschatte effect van behandeling ligt zoals vermeld in de literatuurconclusie.

Zeer laag

  • de conclusie is zeer onzeker;
  • er is weinig vertrouwen dat het ware effect van behandeling dichtbij het geschatte effect van behandeling ligt zoals vermeld in de literatuurconclusie.

 

B) Voor vragen over de waarde van diagnostische tests, schade of bijwerkingen, etiologie en prognose

Bij dit type vraagstelling kan GRADE (nog) niet gebruikt worden. De bewijskracht van de conclusie is bepaald volgens de gebruikelijke EBRO-methode (Van Everdingen, 2004).

 

Formuleren van de conclusies

Bij interventievragen verwijst de conclusie niet naar een of meer artikelen, maar wordt getrokken op basis van alle studies samen (body of evidence). Hierbij maakten de werkgroepleden de balans op voor elke interventie. Bij het opmaken van de balans werden door de werkgroep de gunstige en ongunstige effecten voor de patiënt afgewogen.

 

Voor vragen over de waarde van diagnostische tests, schade of bijwerkingen, etiologie en prognose is het wetenschappelijke bewijs samengevat in een of meerdere conclusie(s), waarbij het niveau van het meest relevante bewijs is weergegeven. Omwille van de homogeniteit is het niveau van bewijs voor alle conclusies weergegeven als hoog/matig/laag/zeer laag, waarbij EBRO niveau 1 is vertaald naar hoog, 2 naar matig, 3 naar laag en 4 naar zeer laag.

 

Wanneer er voor een uitgangsvraag geen systematisch literatuuronderzoek werd verricht, is de literatuur niet beoordeeld op kwaliteit en is de kracht van het bewijs niet bepaald.

 

Overwegingen

Voor een aanbeveling zijn naast het wetenschappelijke bewijs ook andere aspecten belangrijk, zoals de expertise van de werkgroepleden, patiëntenvoorkeuren, kosten, beschikbaarheid van voorzieningen of organisatorische zaken. Deze aspecten worden, voor zover niet wetenschappelijk onderzocht, vermeld onder het kopje ‘Overwegingen’.

 

Formuleren van aanbevelingen

De aanbevelingen geven een antwoord op de uitgangsvraag en zijn gebaseerd op het beschikbare wetenschappelijke bewijs en de belangrijkste overwegingen. Bij het formuleren en graderen van de aanbeveling worden minimaal de volgende vier factoren in ogenschouw genomen: algehele kwaliteit van het wetenschappelijke bewijs; balans tussen voor- en nadelen van de interventie; waarden en voorkeuren van professional en patiënten; en beschikbare middelen.

 

Indicatorontwikkeling

De werkgroep heeft besloten geen nieuwe indicatoren bij deze richtlijn te ontwikkelen, maar gebruik te maken van de reeds bestaande indicatoren op het gebied van COPD.

 

Kennislacunes

Tijdens de ontwikkeling van de richtlijn ‘Diagnostiek en Behandeling van een COPD-longaanval in het Ziekenhuis’ is systematisch gezocht naar onderzoeksbevindingen die nuttig konden zijn voor het beantwoorden van de uitgangsvragen. Een deel (of een onderdeel) van de uitgangsvragen is met het resultaat van deze zoekacties te beantwoorden, een groot deel echter niet. Door gebruik te maken van de evidence-based methodiek (EBRO) is duidelijk geworden dat op het terrein van longaanvallen COPD nog lacunes in de beschikbare kennis bestaan. Een inventarisatie hiervan is opgenomen in de bijlage bij de richtlijn.

 

Literatuur

Atkins D, Best D, Briss PA, et al. Grading quality of evidence and strength of recommendations. BMJ. 2004;328(7454):1490.

Van Everdingen JJE, Burgers JS, Assendelft WJJ, et al. Evidence-based richtlijnontwikkeling. Bohn Stafleu Van Loghum. 2004.

Volgende:
Voedingstoestand tijdens opname bij COPD